Home >> Vertalingen: Christelijke mystici  
  Vertalingen: Christelijke mystici  

Hoe en waar kan de mens God vinden? Niet met behulp van zijn verstand. Al wat hij denkt, zelfs zijn hoogste begrippen, zijn mensenwerk. De liefde gaat echter binnen waar het verstand buiten moet blijven. De liefde overwint alle scheidingen en maakt één, één met de beminde, één met de Beminde, want in de liefde is God benaderbaar en toegankelijk. In de liefde blijkt dat God zelf liefde is, uitnodigende liefde, die mensen in zichzelf binnentrekt.
De hoofdstroom van de christelijke mystiek is liefdesmystiek. Analoog aan de relatie tussen man en vrouw duidden de mystici hun eenwording met God en met Christus als een geestelijk huwelijk. Het vuur van de liefde is de drijvende kracht, die de grenzen van het menszijn doet smelten en de mens aan God gelijk maakt.

Om God te zoeken en Christus na te volgen waren sommige christenen in de vierde eeuw de woestijnen van Egypte en Syrië ingetrokken. Zij onderwierpen zichzelf aan een strenge ascese om aan de heerschappij van hun lichaam te ontkomen. Zij waren gehoorzaam aan hun geestelijke vader om zich van het juk van hun eigen wil te bevrijden. Zij legden zich zo intens toe op het gebed, dat dit onophoudelijk werd en als vanzelf in hun hart opwelde. Naast deze sterk affectieve stroming van het hesychasme, genoemd naar het Griekse woord voor innerlijke rust, bracht het oosterse christendom een meer intellectueel georiënteerde mystieke theologie voort, die langs de weg van het denken en het overstijgen van het denken in het niet-weten tot God probeerde komen. In de latere westerse mystiek werd de voorkeur voor de weg van het hart nog sterker, nadat Bernardus en Franciscus de religieuze gevoeligheid van hun tijd gericht hadden op Christus, in wie God voor mensen zichtbaar en tastbaar werd.
De dertiende eeuw was de gouden tijd van de mystieke vrouwenbeweging. De begijnen hadden veel vrijheid, vreugde en inspiratie gevonden, zozeer dat de kerkelijke hiërarchie zich bedreigd voelde en de inquisitie inzette als een machtsmiddel om haar positie te redden. Theologisch werd als grens geformuleerd dat God en mens wezenlijk van elkaar verschillen.
Merkwaardigerwijze kwamen in de veertiende eeuw zowel de belangrijkste inquisiteurs als de grootste mystici uit de orde der dominicanen. Zowel in de theologie als in de spiritualiteit namen de bedelorden de leidende rol van de slotkloosters over en meer en meer bleek ook bij leken mystieke begaafdheid tot ontplooiing te kunnen komen.
In de vijftiende eeuw leek de creativiteit geluwd, maar in de zestiende eeuw laaide de vonk opnieuw op, dit maal in een Spaanse bloeiperiode, onder leiding van Teresa van Avila en Johannes van het Kruis, die samen de orde van de Karmel hervormden. De zeventiende eeuw kende nog enkele oplevingen maar werd tevens ontsierd door de controverse rond het quiëtisme, waarin auteurs als verdacht golden zodra zij de passiviteit van de menselijke vermogens tegenover Gods inwerking benoemden. In de achttiende eeuw werd de geest van de Verlichting zo bepalend dat ook binnen de kerk geen ruimte meer was voor mystiek. De negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste werden beheerst door secularisatie, empirisme en materialisme. Onverwacht, want zij leek morsdood, lijkt de christelijke mystiek sindsdien te herleven, steeds in dialoog, met de natuurwetenschappen, de moderne psychologie of de oosterse godsdiensten. Het mensbeeld van de transpersoonlijke psychologie legt opnieuw de verbinding tussen het menselijke en goddelijke. Zo doet het recht aan het getuigenis van de mystici dat het mens-zijn zich niet laat begrenzen, dat de mens hangt in God en dat alleen God de mens kan vervullen. Zo wordt van buiten af een nieuw verstaan van de christelijke mystici mogelijk.

De citaten die hier zijn weergegeven beschrijven de unio mystica, eenheid met God.
(Grote namen als Eckhart, Johannes van het Kruis en Teresa van Avila ontbreken: hun werk is al in het Nederlands toegankelijk.)