Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Richard van Saint-Victor (+1173)  
  Richard van Saint-Victor (+1173)  

In de twaalfde eeuw bracht het Augustijnerklooster van Saint-Victor, bij Parijs, meerdere grote theologen voor. Onder hen was Richard (+1173) de meest mystiek georiënteerde. Zijn geschriften behandelen heel de scholingsweg van de monnik, de humaniora, de filosofie, de theologie en de mystiek. Aan de hand van de deugden beschrijft hij de opgang van de ziel, die uitloopt op de extase en op de vurige liefde tot God. De vier graden van vurige liefde baseert hij op een subtiele psychologische analyse van wat de liefde doet met de mens, om die dan toe te passen op de liefde tot God. De derde graad is het opgaan van de ziel in God. Op de vierde graad wordt deze nog overstegen door de dienende terugkeer naar de wereld. In die laatste is de ervaring van Richard zelf weerspiegeld. In de laatste jaren van zijn leven was hij gedwongen zich meer en meer met de aangelegenheden van zijn gemeenschap bezig te houden, die leed onder het bewind van een abt die zijn taken verwaarloosde.

In de eerste graad van liefde wordt God bemind met het hart, in de tweede met heel het hart, in de derde met heel de ziel, in de vierde met alle kracht. (...) In de eerste graad dorst de ziel naar God, in de tweede dorst zij om naar God te gaan, in de derde dorst zij om in God te zijn, in de vierde dorst zij op de wijze van God. (...) In de eerste graad gaat God binnen in de ziel en zij keert in tot zichzelf. In de tweede stijgt zij boven zichzelf uit en wordt zij opgetild tot God. In de derde gaat de ziel die tot God is opgetild geheel en al in Hem over. In de vierde gaat de ziel namens God uit en daalt zij onder zichzelf af. In de eerste gaat zij in zichzelf binnen, in de tweede gaat zij uit zichzelf uit. In de eerste komt zij tot haar eigen leven, in de derde komt zij tot God. In de eerste gaat zij voort omwille van zichzelf, in de vierde gaat zij uit omwille van haar naaste. In de eerste gaat zij binnen door middel van meditatie, in de tweede stijgt zij op door middel van contemplatie, in de derde wordt zij geleid tot jubelende vreugde, in de vierde gaat zij uit in mededogen.

De derde graad van liefde is wanneer de geest van de mens ontrukt wordt in de afgrond van goddelijk licht, zodat de ziel alle uiterlijke dingen vergeet, zich in het geheel niet meer bewust is van zichzelf en volledig uitgaat in haar God. (...) In deze staat is zij geheel bedwongen. De schare van lichamelijke verlangens is volledig tot rust gekomen en er is stilte in de hemelen, als het ware een half uur lang (Openb. 8,1). Elk lijden dat is overgebleven wordt dan geabsorbeerd in heerlijkheid. In die staat is de ziel van zichzelf vervreemd, weggerukt in dat geheime goddelijke toevluchtsoord, aan alle kanten omgeven door het goddelijke vuur van liefde, in haar intimiteit doorboord, geheel ontvlamd. Dan laat zij haar zelf geheel en al achter zich en bekleedt zich met dat goddelijk gevoelen. Geheel gelijk gemaakt aan de schoonheid die zij gezien heeft, gaat zij geheel over in die andere heerlijkheid.

Beschouw het verschil tussen ijzer en ijzer. Het verschil tussen de lauwe ziel en de ziel die is aangestoken door goddelijk vuur is als het verschil tussen koud en warm ijzer. Wanneer het ijzer voor het eerst in het vuur gegooid wordt, lijkt het net zo donker als het koud is. Maar als het enige tijd in de vlam van het vuur is geweest, wordt het warm en geleidelijk verandert zijn donkere kleur. Het begint zichtbaar te gloeien en trekt beetje bij beetje de gelijkenis van het vuur in zich, tot het uiteindelijk geheel vloeibaar wordt en geheel ophoudt zichzelf te zijn en verandert in iets anders. Zo wordt ook de ziel die in het fornuis van de goddelijke liefde geabsorbeerd is in het verterend vuur, en die omgeven wordt door het gloeiend lichaam van eeuwige verlangens, eerst aangestoken, dan rood van hitte en uiteindelijk wordt zij volkomen vloeibaar en wordt zij geheel veranderd ten opzichte van haar eerste staat.

Wil je horen van hen die al beginnen te gloeien in het vuur en te branden met de hitte van innerlijke verlangens? 'Brandde ons hart niet in ons toe Hij onderweg zo met ons sprak en voor ons de schriften opende?' (Lc. 24,32). Beginnen deze zielen niet te gloeien door de omringende vlam van goddelijkheid en door de heerlijkheid die zij gezien hebben? Gelijk gemaakt aan het goddelijk licht gaan zij over tot een andere heerlijkheid. Zij aanschouwen de heerlijkheid van de Heer openlijk en worden omgevormd in hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid door de Geest van de Heer (2 Kor. 3,18). Hoor nu de ziel die is aangestoken en gesmolten door het vuur van het goddelijk woord: 'Mijn ziel smolt toen mijn beminde sprak (Hl. 5,6). Zodra zij wordt toegelaten tot dat innerlijke geheim van het goddelijk mysterie wordt zij, door de grootte van haar verwondering en de overvloed van haar vreugde geheel in zichzelf getrokken of veeleer in Hem die spreekt, en zij lost geheel op wanneer zij woorden begint te horen die een mens niet mag uitspreken en wanneer zij de vreemde en verborgen dingen van God begint te begrijpen. In deze staat is wie zich aan de Heer vasthecht één geest met Hem.

In deze staat is de ziel geheel gesmolten in Hem die zij bemint en bezwijmt zij zelf. Daarom zegt zij: 'Versterk mij met bloemen, verkwik mij met appels, want ik bezwijm van liefde' (Hl. 2,5). Zoals wij zien dat er niets hard of stevig is in vloeistoffen of in vloeibare metalen, maar dat zij meegeven met alle harde en onbuigzame dingen, zo zien we ook dat zieke mensen geen persoonlijke of natuurlijke kracht hebben en dat zij afhankelijk zijn van de wil van anderen om met alles geholpen te worden. Zo doen zij die de derde graad van liefde bereikt hebben niets naar hun eigen wil. Zij laten niets over aan hun eigen verlangen maar vertrouwen alle dingen toe aan de voorzienigheid van God. Al hun wensen of verlangens zijn afhankelijk van Gods teken en wachten het goddelijk welbehagen af. Zoals de eerste graad de affectie verwondt en de tweede de gedachten bindt, zo belemmert de derde het handelen, zodat een mens met niets bezig kan zijn tenzij de kracht van de goddelijke wil hem trekt of aanspoort.

Wanneer de ziel op deze wijze in het goddelijk vuur is teruggebracht, tot in haar kern verzacht en geheel gesmolten, dan verlangt zij niets, behalve dat haar getoond wordt wat Gods welbehagen is. Dit geeft volkomen vreugde en is volmaakt. Het heeft de vorm van de volmaakte deugd, waaraan zij gelijkvormig gemaakt moet worden. Want zoals de metaalbewerkers naar hun wil elk vorm scheppen wanneer de metalen gesmolten zijn en de gietvormen klaar staan en elk vat voortbrengen overeenkomstig de wijze en de gietvorm die zij zich hebben voorgenomen, zo past de ziel zich in deze graad aan om klaar te zijn voor de wenk en de roep van de goddelijke wil. Met een spontaan verlangen past zij zichzelf aan aan elke vraag van God en voegt haar eigen wil zoals het goddelijk welbehagen dat vereist. Zoals gesmolten metaal overal heen loopt waar een doorgang geopend is, zo vernedert de ziel zich spontaan om op deze wijze gehoorzaam te zijn en buigt zij zich vrijwillig in alle daden van nederigheid, naar het bevel van de goddelijke voorzienigheid.
In deze staat is het beeld van de nederigheid van Christus voor de ziel geplaatst, zodat deze woorden tot haar komen: 'Laat deze gezindheid in u zijn, die ook was in Christus Jezus. Hij was in de vorm van God en beschouwde het niet als diefstal om aan God gelijk te zijn. Maar Hij ontledigde zichzelf, nam de vorm van een dienaar aan en werd gemaakt in de gelijkenis van de mens en op de wijze van de mensen. Hij vernederde zichzelf en werd gehoorzaam tot de dood, zelfs de dood aan het kruis' (Fil. 2,5-8). Dit is de vorm van de nederigheid van Christus waaraan elk mens die de hoogste graad van volmaakte liefde wil bereiken zichzelf gelijk moet maken. Want niemand heeft groter liefde dan wie zijn leven geeft voor zijn vrienden (Jh. 15,13).

Zij die in staat zijn hun leven te geven voor hun vrienden hebben de hoogste top van liefde bereikt en zijn al geplaatst in de vierde graad van liefde. Zij kunnen het woord van de Apostel vervullen: 'Weest daarom als geliefde kinderen navolgers van God. Wandelt in liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en zichzelf gegeven heeft tot een offergave en slachtoffer aan God, van een welriekende geur' (Ef. 5,1-2). Daarom wordt de ziel in de derde graad verheerlijkt en in de vierde graad vernederd omwille van God. In de derde wordt zij gelijk gemaakt aan de goddelijke helderheid, in de vierde wordt zij gelijk gemaakt aan de nederigheid van Christus. Alhoewel zij in de derde in zekere zin in de gelijkenis van God is, begint zij zich toch in de vierde te ontledigen en neemt zij de vorm van een dienaar aan en wordt zij aangetroffen als een mens (Fil. 2,6-7). In de derde graad is zij als het ware gedood in God, in de vierde is zij opgewekt in Christus. Hij die in de vierde graad is, mag waarlijk zeggen: 'Ik leef, maar niet ik, Christus leeft in mij' (Gal. 2,20). Zo'n mens begint te leven in nieuwheid van leven. Voor de rest 'is het leven voor hem Christus en sterven winst' (Fil. 1,21). Hij is ingeklemd tussen twee verlangens. Ontbonden te zijn en met Christus te zijn is verreweg het beste, maar in het lichaam te blijven is noodzakelijk omwille van ons (Fil. 1,23v.). De liefde van Christus drijft hem (2 Kor. 5,14).

Zo'n mens wordt een nieuw schepsel, want oude dingen zijn voorbij gegaan en zie, alle dingen zijn nieuw gemaakt. Want in de derde graad is hij gedood en in de vierde staat hij als het ware op uit de dood. Nu sterft hij niet meer. De dood heeft geen macht meer over hem. Wat zijn leven betreft leeft hij in God (Rom. 6,9-10). Daarom is de ziel in zekere zin in deze vierde graad onsterfelijk en onvergankelijk gemaakt. Hoe kan zij sterfelijk zijn als zij niet kan sterven? Hoe kan zij sterven als zij niet gescheiden kan worden van Hem die leven is? Wij weten wie dit zei: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven' (Jh. 14,6). Hoe kan dan een mens sterven die niet van Hem gescheiden kan worden? 'Want ik ben zeker,' zie hij, 'dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch huidige dingen noch komende dingen, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel in staat zal zijn ons te scheiden van de liefde van God die is in Christus Jezus' (Rom. 8,38v). Trouwens, in zekere mate lijkt het alsof een mens die de misslagen die hij draagt niet voelt, die zich verheugt over beledigingen, en die geleden pijn telt als ware het heerlijkheid, niet meer kan lijden. Zo zegt de Apostel het: 'Graag zal ik daarom roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij moge wonen' (2 Kor. 12,9). Wie vreugde vindt in lijden en smaad omwille van Christus, lijkt niet meer te kunnen lijden. 'Daarom vind ik vreugde in ziekten, in terechtwijzingen, in gebrek, in vervolgingen, in ongemak, omwille van Christus' (2 Kor. 12,10).

Wie in deze graad is, kan met vertrouwen zeggen: 'Ik kan alle dingen doen in Hem die mij kracht geeft' (Fil. 4,13), want hij weet hoe verzadigd te zijn en hoe hongerig te zijn en armoede te lijden (Fil. 4,12). In deze graad van liefde 'bedekt hij alle dingen, gelooft hij alle dingen, hoopt hij alle dingen, verdraagt hij dingen' (1 Kor. 13,7). In deze graad is de liefde geduldig en vriendelijk, niet ambitieus, zoekt zij zichzelf niet, vergeldt zij kwaad niet met kwaad noch vervloeking met vervloeking. Veeleer zegent zij. Hij die opstijgt tot deze graad van liefde is waarlijk in de staat van liefde die kan zeggen: 'Ik ben alle dingen voor alle mensen opdat ik allen moge redden' (1 Kor. 9,22). Zo iemand verlangt vervloekt en van Christus gescheiden te worden omwille van zijn broeders. Wat zullen we dan zeggen? In deze graad van liefde kan de ziel van de mens waanzinnig lijken, omdat zij het niet verdraagt dat haar ijver in grenzen of maat gehouden wordt. Is het geen volkomen waanzin het ware leven te verwerpen, te argumenteren met de hoogste wijsheid, de almacht te weerstaan? Als een man verlangt van Christus gescheiden te zijn omwille van zijn broeders, is dat niet een verwerping van het ware leven? Zoals iemand zei: 'Vergeef hun zonde of schrap mij uit het boek dat Gij geschreven hebt!' (Ex. 32,32). En hij die tot de Heer zegt: 'Verre zij het van u dit te doen, de rechtvaardige te slaan met de goddeloze en dat de rechtvaardige gelijk zou zijn aan de goddeloze. Zal de Rechter van heel de aarde niet recht doen?' (Gen 18,25). Klaagt hij de Heer niet aan en probeert hij niet wijsheid te leren? Probeerde deze mens niet de Almachtige te weerstaan nadat Gods oordeel was uitgegaan? Toen de wilde samenscholing in woede was ontstoken, stond deze mens op tegenover het bulderende vuur en plaatste zichzelf als een tussenpersoon tussen hen die bang waren en hen die stierven, om een eind van de calamiteit af te dwingen (Num. 16,48).
Zie tot welk een stoutmoedigheid de volmaakte liefde kan stijgen in de geest van een mens. Zie hoe zij hem ertoe brengt de kracht van een mens te overstijgen! Dat wat hij van God verhoopt, dat wat hij voor God en in God doet en met God tot stand brengt, is meer dan gewoon menselijk.

Hoe volkomen wonderbaarlijk en verbazingwekkend! Hoe meer hij van God verhoopt, hoe meer hij zichzelf voor God verlaagt. Hoe meer hij in stoutmoedigheid oprijst, hoe meer hij in nederigheid afdaalt. Zoals het doel waar hij door vertrouwen toe opstijgt boven de mens is, zo is het punt waarnaar hij door geduld neerdaalt onder de mens. Daarom, zoals we gezegd hebben: in de eerste graad keert de ziel terug tot zichzelf, in de tweede stijgt zij op tot God, in de derde gaat zij uit in God, in de vierde daalt zij af beneden zichzelf. In de eerste en tweede wordt zij opgericht, in de derde en vierde wordt zij omgevormd. In de eerste stijgt zij op tot zichzelf, in de tweede overstijgt zij zichzelf, in de derde wordt zij gelijkvormig aan de helderheid van God, in de vierde wordt zij gelijkvormig aan de nederigheid van Christus. In de eerste wordt zij terug geleid, in de tweede wordt zij overgebracht, in de derde wordt zij omgevormd, in de vierde wordt zij opgewekt.