Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Simeon de Nieuwe Theoloog (949-1022)  
  Simeon de Nieuwe Theoloog (949-1022)  

Symeon, die later de bijnaam 'de nieuw theoloog' zou ontvangen, groeide op in Byzantium, waar hij een deel van zijn opleiding ontving. Vanaf zijn veertiende onderhield hij regelmatig contact met een monnik die fungeerde als zijn geestelijke vader. Relatief laat, in 977, trad hij zelf in het klooster. Spoedig werd hij overste. Hij probeerde het verstarde en geritualiseerde kloosterleven opnieuw te bezielen, maar moest in 1005 aftreden, waarschijnlijk omdat een groot deel van de monniken zijn enthousiasme en gestrengheid niet op prijs stelden. Hij trok zich terug in de eenzaamheid, waar zich opnieuw leerlingen bij hem aansloten.
Zijn geschriften zijn doordrenkt met zijn mystieke ervaring, waarover hij, met name in zijn hymnes, in een heel persoonlijke stijl schrijft.

God is licht (1 Jh. 1,5) en hen die Hij omvat, laat Hij, naar de mate waarin zij gereinigd zijn, deelhebben aan zijn eigen helderheid. Dan weet de brandende lamp van de ziel, dat wil zeggen de geest, dat een goddelijk vuur hem heeft aangegrepen en omvat. O wonder! De mens is zowel geestelijk als lichamelijk met God verenigd, want de ziel scheidt zich niet van de geest, noch het lichaam van de ziel, maar in de eenheid van de essentie wordt ook de mens drie zijnswijzen, [Geest, ziel en lichaam worden hier als een beeld gebruikt voor de goddelijke Drieëenheid.] door genade, en wordt hij één enkele god, met zijn lichaam, zijn ziel en de goddelijke Geest waaraan hij deelheeft.

Wie blind is voor de Eén, is volkomen blind voor alles, maar wie ziet in de Eén, bevindt zich in de beschouwing van alles. Hij onthoudt zich van de beschouwing van alles en tegelijkertijd gaat hij binnen in de beschouwing van alles en bevindt hij zich buiten hetgeen hij beschouwt. Omdat hij in de Eén is, ziet hij alles; omdat hij alles is, ziet hij van het alles niets.
Wie ziet in de Eén, neemt door de Eén alles waar, zichzelf, de mensen en de dingen, en in Hem verborgen, ziet hij van het alles niets.

Als de geest enkelvoudig is, of, beter gezegd, naakt van elke gedachte en geheel bekleed met het enkelvoudige licht van God en daarin verborgen, kan hij geen ander object vinden om de inspanning van zijn begrip op te richten dan Hij waarin hij bevestigd is. Hij blijft dus in de afgrond van het goddelijk licht, dat hem niet toestaat iets waar te nemen buiten haarzelf. Dit is de betekenis van 'God is licht' (1 Jh. 1,5) en het allerhoogste licht. Voor hen die dit bereikt hebben, komt alle onderscheiden waarneming van de dingen tot rust.
De altijd beweeglijke geest wordt onbeweeglijk en volkomen leeg van gedachten als hij geheel bedekt is door de goddelijke duisternis en door het goddelijk licht. Hij is geheel in de beschouwing, de waarneming en het genot van de goede dingen waarin hij bevestigd is. De diepte van de wateren van de zee is niet een exact beeld voor de diepte van de Heilige Geest: Hij is het levend water van het eeuwige leven (Jh. 4,10). Alles van dat leven is onkenbaar, onverklaarbaar en ongrijpbaar. Nadat de geest alle zichtbare en begrijpelijke dingen overstegen heeft, vestigt hij zich daar en beweegt zich en wendt zich zonder enige beweging in zijn enige objecten. Hij leeft in een leven boven het leven, licht in het licht, maar niet licht voor zichzelf; want hij ziet zichzelf dan niet, maar Hem die boven hem is, en zoals de glorie van daarboven zijn denken transformeert, negeert hij zichzelf geheel en al.
Wie alle maten van volmaaktheid bereikt heeft, is gestorven zonder gestorven te zijn, want hij leeft in God, met wie hij verenigd is. Hij leeft niet meer voor zichzelf. Hij is blind, want hij ziet niet meer met zijn lichamelijke ogen. Hij is elk natuurlijk zien ontstegen, want hij heeft nieuwe ogen verworven, die boven alle vergelijking beter zijn dan de natuurlijke ogen en hij ziet boven het natuurlijke. Hij is zonder activiteit en zonder beweging, want in hem is elke behoefte om te handelen bevredigd. Hij heeft geen gedachten meer, want hij is gekomen tot vereniging met Hem die boven alle gedachten is en hij rust daar waar geen activiteit van de geest meer is, geen beweging voor het denken, het redeneren en het gebruik van begrippen. Hij is niet in staat het ondenkbare en het onbevattelijke te begrijpen of te definiëren. Hij is op dat moment in een staat van rust. Die rust is de onbeweeglijkheid van het gelukzalige niet-waarnemen, in de zekere waarneming van de onuitsprekelijke goede dingen, waar hij zich zonder enige inspanning verheugt.

Wanneer iemand zonder bedekking de onzichtbare God schouwt, ziet hij een licht. Hij verbaast zich erover dat hij ziet. Hij weet niet onmiddellijk wie hem verschenen is, maar durft het hem niet te vragen. Hoe zou hij dat kunnen, want hij kan zelfs zijn ogen niet naar hem opslaan om te zien hoe groot Hij is. Als aan zijn voeten gezeten beperkt hij zich ertoe te kijken, met grote vrees en bevend, wetend dat het iemand is die hem verschenen is. Als degene die eerder God gekend heeft en hem dit vooraf verklaard heeft in de buurt is, gaat hij naar hem toe en zegt hem: 'Ik heb gezien.' Hij antwoordt hem: 'Wat heb je gezien, mijn zoon?' - 'Een licht, vader, lieflijk, lieflijk, zozeer dat ik niet duidelijk kan zeggen hoezeer.' Terwijl hij zo spreekt, bonkt zijn hart en ontvlamt zich onmiddellijk van verlangen naar hem die hij gezien heeft. Onder tranen spreekt hij verder: 'Dat licht, vader, is mij verschenen. Onmiddellijk is het bouwsel van mijn kluis verdwenen, evenals de wereld. Zij vluchtten, meen ik, voor zijn aanschijn. Ik bleef alleen achter, ik, in gezelschap van het enkelvoudige licht. Ik weet niet, vader, of mijn lichaam er toen ook bij was. Als ik eruit weggegaan ben, dan weet ik dat niet. Op dat moment wist ik niet dat ik bekleed was met een lichaam. Er was in mij een onuitsprekelijke vreugde, die ook nu nog met mij is, een onstuimige liefde en verlangen, zozeer dat stromen van tranen als beken uit mij vloeien, zoals u dat nu op dit moment kunt zien.' Hij antwoordt hem dan: 'Mijn zoon, Hij is het.' Op die woorden ziet hij Hem opnieuw en geleidelijk aan wordt hij geheel gereinigd. Gereinigd krijgt hij vertrouwen en hij ondervraagt Hem die hij ziet en zegt Hem: 'Mijn God, bent U het?' Hij antwoordt hem en zegt: 'Ja, Ik ben het, God, Hij die voor jou mens geworden is. Zie wat ik je gedaan heb, zoals je ziet, en dat ik je God zal maken.'

Stel je een grote oceaan voor en de zee der zeeën en verbeeld je in je geest een afgrond van afgronden. Wanneer je aan de rand staat, aan het strand van die zeeën, dan zou je me met recht kunnen zeggen dat je zeker bent dat je het water ziet, zelfs als je het niet helemaal ziet. Want het geheel, hoe zou je dat kunnen zien, want dat is voor jouw ogen zonder grens en je kunt het niet in je handen houden. Zeker, je ziet al wat je ziet. Maar als iemand je zou vragen: zie je al deze zeeën? In het geheel niet, zou je hem antwoorden. Houd je ze alle in je handpalm? Nee, zou je zeggen, hoe zou ik dat kunnen? En als hij je dan zou vragen: zie je ze helemaal niet? Ja, zeg jij, ik zie en ik bezit een beetje van het water van de zee. Hoe veel of hoe weinig water je ook hebt als je je hand in het water steekt, je houdt alle afgronden gehecht aan je hand, zelfs als je maar een beetje bezit, want zij vormen één geheel. Vergeleken met het geheel, wat bezit jij? Een enkele druppel, zul je zeggen. Maar het geheel, dat heb je niet, ook al houd je het gehecht aan je hand.

Welnu, het is op dezelfde manier dat ik je zeg dat ik, terwijl ik bezit, niets bezit, dat ik arm ben en dat ik een rijkdom zie die in mij gelegd is. Terwijl ik verzadigd ben, heb ik honger. Terwijl ik arm ben, ben ik rijk. Terwijl ik drink, heb ik ook dorst. Zoet is deze drank: één enkele slok lest de dorst van miljoenen mensen en ik heb zo'n dorst dat ik zonder ophouden kan drinken, ik drink voorbij alle verzadiging. Ik verlang alles te omvatten en te drinken, als dat mogelijk is, alle afgronden in één keer, en, omdat dat onmogelijk is, zeg ik je dat ik altijd dorst heb, terwijl er in mijn mond altijd water is dat stroomt, overstroomt en voortstroomt. Maar als ik de afgronden zie, meen ik dat ik niet genoeg heb gedronken, want ik verlang alles te bezitten, alhoewel ik alles in overvloed bezit, al het water, geheel en al in mijn hand. Altijd ben ik een bedelaar, terwijl ik werkelijk alles bezit, verenigd met het kleine beetje. De zee, maar meer nog, de afgronden van de afgronden zijn verenigd met die slok. Als ik dus één slok bezit, bezit ik alle met haar, en ik verklaar je dat ik bezit, zij is geheel en al ondeelbaar, ongrijpbaar, geheel en al onneembaar. Het is ook niet mogelijk haar te omschrijven en heel moeilijk om te zien, zij die God is, geheel en al. Als dus zo voor mij de goddelijke druppel is, wat zou ik dan denken waarlijk te bezitten? Waarlijk, als ik haar heb, heb ik niets.

Wat is uw barmhartigheid zonder maat, Redder?
Hoe hebt u zich gewaardigd mij ledemaat van uw lichaam te maken,
ik, de onreine, de verkwister, de prostitué?
Hoe hebt u me herkleed met de luisterrijke mantel,
bliksemend van een schittering van onsterfelijkheid,
die al mijn ledematen verandert in licht?
Want uw lichaam, onbevlekt en goddelijk,
is geheel bliksemend van het vuur van uw goddelijkheid
waarmee het op onuitsprekelijke wijze is vermengd en verenigd;
dat is de gunst die u ook aan mij gedaan hebt, mijn God.
Want dit armzalige en vergankelijke omhulsel
verenigd met uw geheel onbevlekte lichaam
en mijn bloed vermengd met uw bloed,
ben ik eveneens verenigd, ik weet het, met uw goddelijkheid
en ben ik uw zeer zuivere lichaam geworden,
stralend ledemaat, waarlijk heilig ledemaat,
schitterend ledemaat, transparant, lichtend.

U bent met ons, nu en voor alle eeuwen,
van eenieder maakt u uw huis en u woont in ons
en u wordt voor allen ons huis en in u wonen wij,
elk van ons, o Redder, geheel met u geheel,
met elk van ons bent u alleen met hem alleen
en boven ons allen bent u ook, alleen en geheel. (...)
Wij worden ledematen van Christus – en Christus wordt onze ledematen,
Christus wordt mijn hand, Christus mijn voet, voor mij, erbarmelijke!
En de hand van Christus, de voet van Christus, ben ik, ongelukkige!
Ik beweeg de hand en mijn hand is geheel de Christus
- want ondeelbaar, vergeet het niet, is God in zijn goddelijkheid -;
ik beweeg de voet en zie, hij straalt als Hij
- beschuldig me niet van godslastering, maar ontvang deze waarheid
en aanbid Christus, die u zo maakt,
want als u het wilt, wordt u ledemaat van Christus
en evenzo worden al onze ledematen, van ieder van ons
ledematen van Christus en Christus onze ledematen,
en al wat zonder eer is zal Hij eerbaar maken
door het te verbinden met zijn schoonheid en zijn goddelijke glorie,
want levend met God zullen wij goden worden,
zonder nog de schaamte van ons lichaam te zien,
maar geheel gelijk geworden aan Christus in heel ons lichaam,
zal elk lidmaat van ons lichaam geheel Christus zijn:
want al wordt Hij vele ledematen, Hij blijft één en ondeelbaar,
en elk deel is Hij, geheel de Christus.

Als dit vuur brandt
en de zwerm passies verdrijft
en het verblijf van je ziel reinigt,
dan vermengt het zich met haar zonder zich te vermengen
en verenigt zich op onuitsprekelijke wijze,
de essentie van het vuur met de essentie van deze ziel,
het vuur, geheel en al, met haar, geheel en al.
Geleidelijk verlicht het haar, verteert haar,
en, ik weet niet hoe het uit te drukken,
de twee worden tot één:
de ziel is met haar Schepper
en in de ziel is haar Schepper
één met haar alleen, geheel en al,
Hij, die heel de schepping
in zijn hand houdt.
Twijfel er niet aan, Hij, geheel en al
met de Vader en de Geest
vindt plaats in één enkele ziel,
en Hij omvat de ziel
geheel en al in zijn binnenste.
(...)
Opnieuw zie ik Hem binnen
in mijn huis en in mijn aarden kruik;
plotseling was Hij er, geheel en al,
verenigd op een onuitsprekelijke wijze,
gehecht op een onzegbare wijze
en met mij vermengd zonder zich te vermengen,
zoals het vuur zich vermengt met het ijzer
en het licht met het kristal,
heeft Hij met mij gedaan als met het vuur
en Hij heeft mij gemaakt als het licht
en ik ben zelf dat geworden
wat ik voorheen zag
en beschouwde van verre
en ik weet niet hoe ik je
de vreemdheid van deze wijze duidelijk kan maken,
want ik heb niet kunnen kennen
en nu weet ik evenmin
hoe Hij is binnengegaan, hoe hij zich verenigd heeft.
Ik, die verenigd ben, hoe kan ik je zeggen
wie Hij is die zich met mij verenigd heeft
en met wie ook ik verenigd ben?