Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Aegidius van Assisi (ca. 1190-1262)  
  Aegidius van Assisi (ca. 1190-1262)  

Toen hij achttien jaar oud was, werd Aegidius een van de eerste gezellen van Franciscus. Hij was van eenvoudige komaf. Na een periode van enkele jaren waarin hij als prediker rondtrok, werd hij kluizenaar en leefde in vereniging met God.

In het zesde jaar na zijn bekering, toen hij in het klooster te Fabriano woonde, kwam op een nacht de hand des Heren over hem. Terwijl hij vurig bad, werd hij door zo'n grote goddelijke vertroosting vervuld, dat hij dacht dat God zijn ziel uit het lichaam wilde wegvoeren opdat hij zijn geheimenissen helder zou kunnen schouwen. Hij voelde hoe zijn lichaam begon te sterven, eerst zijn voeten en dan verder, tot de ziel eruit weg ging. Het leek hem alsof hij, naar de wil van Hem die de ziel met het lichaam verbonden had, buiten zijn lichaam stond, en zijn ziel verlustigde zich erin zichzelf te aanschouwen om de overgrote schoonheid waarmee de heilige Geest haar getooid had. Want zij was erg zacht en erg licht, bovenmate, zoals hij zelf voor zijn dood vertelde. Toen werd deze zeer heilige ziel weggevoerd om de hemelse geheimenissen te schouwen, die hij nooit heeft willen openbaren.

Eens sprak hij: 'Ik ken een mens die God zo helder geschouwd heeft, dat hij heel zijn geloof verloor.'
Een andere keer zei broeder Andreas tot hem: 'Je zegt dat God in een visioen je geloof weggenomen heeft. Zeg me, als je wilt, of je de hoop nog hebt.' Hij antwoordde: 'Wie het geloof niet heeft, hoe zal hij de hoop hebben?' Broeder Andreas sprak tot hem: 'Hoop je niet dat je het eeuwige leven zult bezitten?' Hij antwoordde: 'Geloof je niet dat God, als Hij wil, een onderpand van het eeuwige leven kan geven?'

Broeder Aegidius zei ooit dat hij vier maal geboren was. 'De eerste keer,' sprak hij, 'ben ik uit mijn lichamelijke moeder geboren, de tweede keer in het sacrament van de doop, de derde keer toen ik in deze heilige orde trad, de vierde keer toen God mij de genade van zijn verschijning schonk. Toen sprak broeder Andreas tot hem: 'Als ik naar verre landen zou ging en gevraagd zou worden of ik jou ken en hoe het met je gaat, zou ik zo kunnen antwoorden: 'Tweeëndertig jaar geleden werd broeder Aegidius geboren. [Noot: Dat wil zeggen: na de verschijning.] Voor hij geboren werd, had hij het geloof, maar na zijn geboorte heeft hij het geloof verloren.' Broeder Aegidius antwoordde: 'Zoals je gezegd hebt, zo is het. Weliswaar had ik daarvoor het geloof niet helemaal zoals ik het zou moeten hebben. Toch heeft God het van mij weggenomen. Van hem echter die het geloof op volkomen wijze heeft, zoals men het moet hebben, zal God het ook wegnemen. Daarna heb ik zulke dingen gedaan dat ik het verdiende dat een touw om mijn hals zou worden gebonden en ik smadelijk door de straten van deze stad zou worden gesleept.' Toen sprak broeder Andreas nogmaals: 'Als je het geloof niet hebt, wat zou je dan doen als je priester zou zijn en de mis zou willen vieren? Hoe zou je dan kunnen zeggen: “Ik geloof aan de ene God?” Het lijkt alsof je zou moeten zeggen: “Ik ken één God.”' Toen antwoordde broeder Aegidius met een verheugd gezicht en zong met luide stem: 'Ik ken God, de almachtige Vader.'

Toen de heilige Lodewijk, de koning van Frankrijk, besloot naar de heilige plaatsen te pelgrimeren en hoorde van de heiligheid van broeder Aegidius, nam hij zich voor, hem te bezoeken. Toen hij om die reden op zijn tocht naar Perugia kwam, waar deze, zoals hij gehoord had, verbleef, ging hij als een arme, onbekende pelgrim met slechts weinig gezellen naar de poort van de broeders en vroeg dringend naar de heilige broeder Aegidius. De portier ging naar broeder Aegidius en zei hem dat een pelgrim bij de poort naar hem vroeg. Door de Geest wist deze onmiddellijk wie het was. Als dronken rende hij uit zijn cel en spoedde zich naar de poort. Zij omhelsden elkaar en geknield kusten zij elkaar met grote vroomheid, alsof zij oude vrienden waren. Nadat zij elkaar de tekenen van innige liefde gegeven hadden, spraken zij geen woord met elkaar, maar zwijgend namen zij afscheid.
Toen de heilige Lodewijk vertrok, vroegen de broeders aan een van zijn metgezellen wie het was die broeder Aegidius zo innig omarmd had. Hij antwoordde dat het Lodewijk was, de koning van Frankrijk, die op zijn pelgrimstocht de heilige broeder Aegidius had willen zien. Toen beklaagden de broeders zich bij broeder Aegidius en zeiden: 'O broeder Aegidius, waarom heb je een zo grote koning, die uit Frankrijk gekomen is om je te zien en een goed woord van je te horen, niets willen zeggen?' Broeder Aegidius antwoordde: 'Beste broeders, verwondert jullie niet dat noch hij mij noch ik hem iets kon zeggen. Want zodra wij elkaar hadden omhelst, openbaarde het licht van de goddelijke wijsheid mij zijn hart en hem het mijne. En terwijl wij in de eeuwige spiegel stonden, ervoeren wij met volkomen vertroosting wat hij mij had willen zeggen en ik hem, zonder geluid van de lippen en de tong, en beter dan wanneer wij met onze lippen zouden hebben gesproken. Als wij dat, wat wij van binnen voelden, met stamelende klanken hadden willen toelichten, dan zou dit gesprek ons eerder hebben bedroefd dan getroost. Wees er daarom zeker van, dat hij wonderbaarlijke getroost vertrokken is.'

(Alle citaten zijn ontleend aan: M. Buber, Extatische getuigenissen.)