Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Armelle Nicolas (1606-1671)  
   Armelle Nicolas (1606-1671)  

Armelle Nicolas was een ongeletterde dienstmaagd. Om haar vroomheid en extases wordt zij in haar geboortestreek Bretagne als een heilige vereerd.
 
 
Ik beschouwde mezelf als een arme misdadiger die in de gunst van haar vorst verlangt te komen. Als hoe ellendiger ik mezelf beschouwde, des te meer ik wenste me met hem, die ik kende als mijn enige goed en mijn al, te verenigen.
Zo bracht ik heel de Lijdenstijd door. Op Goede Vrijdag ging ik naar de preek. Toen ik daar nog geen kwartier over het lijden van mijn Heiland had horen spreken, was mijn hart al zo geweldig door pijnen geroerd en doorboord, dat ik, omdat ik niet meer kon blijven, gedwongen was weg te gaan, uit vrees dat mijn hart in stukken zou springen of zijn heftige aanroering door de een of andere handeling openbaar zou maken. Ik ging toen naar huis, waar op dat moment niemand was. Daar sloot ik mezelf in. Eerst liep ik van de ene plaats naar de andere en riep zo hard dat ik buiten adem raakte, als een razende en als iemand die geheel buiten zichzelf is. Daarna wierp ik mezelf op de grond en schreeuwde: 'Genade, Heer, genade!' Ik vroeg heel de hemelse schare om bijstand en bezweerde alle heiligen mij te helpen. Mij tot God kerend zei ik met een vlammende vurigheid tot hem: 'O mijn Heer en mijn God, zie, de dag is gekomen dat ik geheel de uwe moet zijn. Reinig en was mij in uw kostbaar bloed. Zalf mijn hart met de olie van uw barmhartigheid. Doorboor mij met de pijlen van uw heilige liefde. Neem mij op in het getal van uw leerlingen. Toon uzelf aan mij en verenig mij met u.'
Deze woorden werden mij innerlijk voorgezegd, want ik wist zelf niet wat ik zei en begreep ook de zin van deze woorden niet, noch ook de geheimenissen die daarin vervat lagen, maar ik werd aangespoord en gedwongen ze te spreken. Dit deed ik met een geweldige heftigheid. Ik had de indruk dat elk woord een pijl was, scherp gepunt om tot in Gods hart door te dringen. Midden in dit gebed, waarin ik mij afgemat en gekweld had, werd ik in een ogenblik op de hoogste zolder van het huis gevoerd, ik wist niet hoe, maar daar trof ik mij aan, al had ik daarvoor niet gedacht daarheen te gaan.
Daar wierp ik mijzelf op de grond, omdat ik mezelf niet meer houden en dragen kon, zozeer was ik in uiterste nood gebracht. Op ditzelfde ogenblik liet God in de grond van mijn hart een straal van zijn goddelijk licht schijnen, waardoor Hij zich aan mij openbaarde en mij duidelijk te kennen gaf dat Hij, naar wie ik zozeer verlangd had, in mij in ging en mij volledig in bezit nam. Toen deze grote gunst mij overkwam, zag ik mijzelf als geheel omkleed en omgeven met een licht. In het begin werd ik door ontzetting overvallen, maar dit duurde slechts een ogenblik, want direct werd mijn hart weer in zekerheid geplaatst en zozeer veranderd dat ik mijzelf niet meer kende. Ik voelde zo'n verzadiging van alle verlangens dat ik niet wist of ik in de hemel of op aarde was. Ik bleef enige tijd onbeweeglijk als een standbeeld, zodat ik mij niet bewegen kon. Sinds die tijd waren al de vermogens van mijn ziel zo vervuld en bevredigd en in al mijn zinnen was een zo grote vrede, dat ik er in het geheel niet aan twijfelen kon dat God zich van nu af innig met mij verenigd had, zoals dat voorheen mijn vurige wens geweest was. Deze waarheid was zo onfeilbaar zeker in mij als had ik haar met eigen ogen gezien, want het licht dat mij toen meegedeeld werd, overtrof verre al wat men met de ogen kan zien.

Al mijn goed is God alleen. Omdat Hij van nu af door zijn grote barmhartigheid en goedheid helemaal mijn eigen is, zoals ik helemaal zijn eigen ben, is het voor mij niet meer nodig mij in te spannen om iets nieuws te verwerven. Ik heb verder niets te doen dan in zijn goederen te rusten. Zoals Hij in mij rust, rust ik ook in Hem, omdat ik helemaal in Hem ben ingesloten en vernietigd. Ik vind mijzelf niet meer en wanneer ik zeg: 'Ik geniet, ik bemin, ik bezit', dan ben ik het niet meer die dit ontvangt, maar zijn liefde is mijn liefde, zijn rijkdom is mijn rijkdom, zijn vrede is mijn rust, zijn wegen zijn mijn lust, en zo is het met al zijn goddelijke volkomenheden. Er is niets meer wat ik zou kunnen begeren, want ik ben geheel met goederen overstelpt en hoef ook niet meer te vrezen ze te verliezen, want zij behoren Hem alleen die mijn Liefde en mijn Alles is. Ik bezit ze echter niet meer met eigenheid, zodat ik niet hoef te vrezen dat ze van mij weggenomen kunnen worden.

Nu is God alles, ik echter ben niet meer. Door zijn erbarmen ben ik daar weer terug gekomen waaruit ik gegaan was. Hij alleen, en niet meer ik zelf, leeft en heerst in mij, want ik ben niet meer in mij zelf, maar in Hem waar ik mijzelf niet meer vind en waar ik mijzelf verloren heb. Hij alleen is het die zich zelf het leven geeft, want ik zie nu niets meer dat niet Hij zelf zou zijn.

O Liefde en oneindig Goed, ik kan U niet meer ontvluchten! Overal loopt U voor mij en ik vind U overal. Ik zie U nu niet meer door wolken, ik zie U helemaal duidelijk en openbaar, zonder bedekking en voorhang. Nu is er niets bemiddelends meer tussen U en mij. Wat wilt U dat ik doen zal en hoe zal ik verder op aarde kunnen leven bij deze helderheid en dit goddelijke vuur dat mij verteert? Nooit heb ik mijzelf in zo'n staat bevonden. De bovenmatige macht die ik voel, overtreft alles boven mate en ik weet niet meer waarheen ik mij moet keren noch wat ik moet zeggen, dan alleen dit, dat de liefde mij overal uit mij zelf wegvoert en mij overal overwint.

Sinds het feest van mijn heilige Moeder heb ik mijn ziel onthecht van alle dingen gezien, zo zuiver, zo eenzaam, zo afgescheiden, dat het lijkt als woont zij niet meer in mijn lichaam, dat, lijkt mij, niets anders zoekt dan gevoelloos de ziel te volgen. Ik heb geen gedachten meer, noch iets anders wat mij ophoudt of bezig houdt, zoals dat anders gewoonlijk gebeurt. Het wezen en de onmetelijkheid van God is het enige onderwerp dat mijn ziel op een onbegrijpelijke wijze doordringt en verteert en haar door dit verteren zozeer uitbreidt, dat ik geen doel en einde meer ken. Voorheen wilde ik alles doen en alles aanpakken, maar nu is het geheel anders met mij, want niets nadert mij meer. Ik begrijp alles en word door niets begrepen. Mijn ziel is eenzaam, eenvoudig en zuiver en wanneer ik haar zo zie, zie ik een wonder. Als dit nog enige tijd in mij voortduurt, denk ik dat ik daaraan zal moeten sterven. Uiterlijk ga ik en werk ik zoals ik dat gewoon was, zonder dit schouwen te verliezen, maar soms neemt mijn God dit van mij en staat toe dat enkele gedachten in mijn gemoed komen die mij daarvan afwenden, anders zou ik al gestorven zijn. Niemand kan de liefde die mij verteert uitspreken noch verstaan. Zij is oneindig en groeit toch alle dagen meer en meer.
 
Uit: M. Buber, Extatische getuigenissen.