Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Catharina van Genua (1447-1510)  
  Catharina van Genua (1447-1510)  

Als kind was Catharina erg vroom. Zij wilde intreden in een klooster, maar werd door haar aristocratische familie uitgehuwelijkt in het kader van een politieke alliantie. Haar man was een bruut en verwaarloosde haar. De eerste vijf jaar van haar huwelijk leidde ze een teruggetrokken bestaan, daarna zocht ze vijf jaar lang afleiding in de genoegens van haar stand. Na een intense ervaring van Gods liefde leefde zij enkele jaren in strenge boetedoening. De rest van haar leven werkte ze in het ziekenhuis van de stad, samen met haar man, die zich bekeerd had en met wie ze in onthouding samenleefde tot hij stierf. Haar werk bracht grote verantwoordelijkheden met zich mee. Temidden van die beslommeringen hield zij intiem contact met God, wiens liefde haar meer en meer verteerde. Jaren lang at zij tijdens de veertigdaagse vasten en de advent niets dan de dagelijkse communie.
Haar levensverhaal is opgetekend door haar biechtvader, aan de hand van veel citaten van haarzelf. Op latere leeftijd had zij een kring van intieme leerlingen om zich heen, met wie ze over haar ervaringen sprak. Op grond daarvan stelden dezen de Verhandeling over het vagevuur samen. Haar begrip van het vagevuur is gebaseerd op haar de ervaring die zij tijdens haar leven had van de louterende werking van Gods vuur in haar innerlijk.

Zij bleef drie jaar of iets langer in dat voortdurende geweld van liefde en pijn, waarvan de stralen zo doordringend en brandend waren dat zij haar hart verteerden. Vervolgens werd zij aan de borst van de Gekruisigde getrokken, waar haar het heilig Hart van de Gekruisigde werd getoond. Dat leek haar geheel van vuur. Zij zag dat zij omhelsd werd. Toen zij dat zag, viel zij in onmacht.
Dat beeld bleef meerdere jaren bij haar. Het deed haar voortdurend zuchten, geheel ontvlamd van het felste vuur. Daardoor smolten haar hart en haar ziel. Zij werden verteerd in dit vuur van liefde, zozeer dat zij zei: 'Ik heb geen ziel en geen hart meer, maar mijn ziel en mijn hart zijn die van mijn zoete Liefde.' Dit zei zij over die Liefde waarin zij geheel was verdronken en getransformeerd.
Tenslotte werd zij aan de zeer zachte en zeer zoete mond van haar Heer getrokken. Daar werd haar een kus gegeven, op zo'n wijze dat zij geheel ondergedompeld werd in die zoete Goddelijkheid waarin zij zichzelf verloor, zowel uitwendig als inwendig, op zo'n wijze dat zij kon zeggen: 'Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij' (Gal. 2,20).
Daardoor kon zij niet meer zien of haar handelingen in zichzelf goed of slecht waren, want zij zag alle dingen slechts in God.

Aan het eind van die vier jaar werd haar een zuivere en vrije geest gegeven, die zozeer van God vervuld was, dat hij voor alle andere dingen gesloten was. Als zij preken of de mis bijwoonde, was zij zozeer in beslag genomen door dit innerlijk gevoel, dat zij wat buiten haar gezegd of gedaan werd niet zag of hoorde. Inwendig, in het zachte goddelijke licht, zag en hoorde zij andere dingen. Zij was geheel opgenomen in dit innerlijke smaken en zij kon zich daar niet van losmaken. Het is wonderlijk dat de Heer haar ondanks zo'n absorberende innerlijke bezigheid nooit van de goede orde liet afwijken. Als dat nodig was, kwam zij iedere keer tot zichzelf, zodat zij kon antwoorden aan wie iets van haar vroeg. De Heer leidde haar zodanig dat niemand zich ooit over haar kon beklagen.

Vervolgens ging zij werken in het grote ziekenhuis van de stad Genua, waar zij veel verantwoordelijkheden kreeg. Zij wijdde zich er met meer zorg aan dan we zouden kunnen zeggen. Maar zij gaf zichzelf op zo'n wijze aan deze taak dat elke zorg die zij vervulde haar nooit het gevoel van God, haar zoete liefde, ontnam. Ondanks deze innerlijke bezigheid bleef in het ziekenhuis nooit een taak onvervuld. Iedereen beschouwde dat als iets wonderbaarlijks, want het leek onmogelijk dat iemand die zo bezet was met uiterlijke zaken zonder onderbreking zo'n smaak voor God in haar innerlijk kon voelen, terwijl anderzijds iemand die zozeer in het vuur van goddelijke liefde verslonden was zich met uitwendige zaken bezig kon houden en zonder mankeren haar hoofd erbij kon houden, zodat zij nooit iets vergat van wat zij moest doen.

Zij zei ook: 'Ik zie zonder mijn ogen, ik begrijp zonder mijn verstand, ik voel zonder enig gevoel, ik smaak zonder smaak. Ik heb geen vorm en geen maat, zodat ik zonder zien een enorme activiteit en een geheel goddelijke kracht zie, waarnaast alle woorden over volmaaktheid en zuiverheid die ik eerst gebruikte me nu, in aanwezigheid van de waarheid en de goddelijke directheid, leugens en fabeltjes lijken. De zon, die me eerst zo helder leek, lijkt me nu donker. Wat me zoet leek, is nu bitter voor me. Zodra schoonheid en zoetheid gemengd is met het schepselijke, worden zij bedorven. Later, als het schepsel merkt dat het gereinigd, gezuiverd en omgevormd is in God, dan ziet zij het ware en het zuivere. Van dit zien, dat geen zien is, kan zij niets zeggen en zij kan er niets over denken. Uiteindelijk kan ik zelfs niet meer zeggen: mijn God, geheel de mijne, alles is mijn – ervan uitgaande dat al wat van God is lijkt alsof het van mij is. Het is me onmogelijk geworden dergelijke uitdrukkingen voor wat dan ook te gebruiken, of het in de hemel of op aarde is. Zo blijf ik stom en in God verloren.
Ik kan een heilige niet meer gelukzalig noemen vanuit zichzelf, dat lijkt me een onjuist woord. Ik zie geen enkele heilige als gelukzalig vanuit zichzelf, maar ik zie goed dat alle heiligheid en alle gelukzaligheid die de heiligen genieten buiten hen is en in God haar volmaaktheid heeft. Ik kan geen enkel goed en geen enkele gelukzaligheid meer zien in enig schepsel, tenzij dat schepsel in zichzelf en in alles geheel tot niets geworden is en zozeer in God is ondergegaan dat alleen God in dat schepsel verblijft en het schepsel in God. Dat is heel de gelukzaligheid die de gelukzaligen kunnen bezitten. Zij bezitten die echter niet. Ik wil zeggen dat zij die hebben in de mate waarin zijzelf in zichzelf tot niets geworden zijn en bekleed met God.'

Ik heb altijd gezien en ik zie het meer en meer dat alle goed op één enkele plaats is, dat wil zeggen in God. En al het andere goed dat zich onder Hem bevindt, is goed op grond van participatie. Maar de heel zuivere liefde kan van God niets – hoe goed ook – verlangen dat participatie zou zijn. Want het is God in zijn totaliteit die ze zoekt, geheel zuiver, onvermengd, onmetelijk: God zoals Hij ís. Als haar slechts een kleine deeltje daarvan zou ontbreken, zou zij niet tevreden kunnen zijn, zou zij zich veeleer in de hel wanen. Daarom zeg ik dat ik geen geschapen liefde wil, dat wil zeggen een liefde die men kan smaken, begrijpen en genieten. Ik zeg dat ik geen liefde wil die de weg gaat van het verstand, het geheugen of de wil. De zuivere liefde overstijgt dat alles. Zij overstijgt alles en roept uit: Ik houd niet op vóór ik ingesloten en opgesloten ben in die goddelijke borst waar alle geschapen vormen zich verliezen en door zichzelf te verliezen goddelijk worden. De zuivere en ware liefde kan zich met geen enkele andere wijze tevreden stellen.
Daarom heb ik besloten om zo lang ik leef altijd tot de wereld te zeggen: doe van buiten met me wat je wilt, maar laat mij van binnen met rust, want ik kan niet, ik wil niet, en zou ik zou niet willen dat ik mij innerlijk met iets anders zou bezighouden dan die God alleen, die mijn innerlijk heeft ingenomen en in zichzelf heeft ingesloten, zozeer dat ik voor niemand anders kan openen. Weet dat de kracht die Hij hier inzet even groot is als heel zijn macht. Niets anders is nodig dan deze menselijkheid, zijn schepsel, te verteren, van binnen en van buiten. Als zij geheel verteerd zal zijn, zullen God en de ziel beide uit dit lichaam uitgaan en zo verenigd zullen zij opgaan naar het vaderland. In mijn innerlijk kan ik slechts Hem zien omdat ik er niemand anders binnen laat en mezelf nog minder dan de anderen, want ik ben de vijand van mezelf.
Soms overkomt het me echter dat het nodig is mezelf aan te duiden, naar het gebruik van de wereld, die niet op een andere manier kan spreken. Maar wanneer ik mezelf noem of door anderen genoemd wordt, zeg ik tot mezelf: Mijn ik is God, ik ken geen ander buiten mijn God zelf. Zo ook wanneer ik praat over het zijn. Al wat bestaat, bestaat door gemeenschap met de soevereine essentie van God. Maar de zeer zuivere liefde kan er geen genoegen mee nemen die gemeenschap te beschouwen als ware die van God uitgegaan en als zou die in haar zijn als schepsel, zoals de andere schepselen, die min of meer participeren aan God. De ware liefde kan het niet verdragen om zo op de andere schepselen te lijken, maar met een groot liefdesélan zegt zij: Mijn zijn is God, niet eenvoudigweg door participatie, maar door ware omvorming en door een vernieten van het eigen zijn.
Een voorbeeld. De elementen kunnen niet worden omgevormd, want het is hun eigenschap onveranderlijk te blijven. Omdat zij onder die wet zijn, hebben zij geen vrije wil. Daarom kunnen zij hun eigen wezen, dat hen bij hun formatie gegeven is, niet verlaten. Op dezelfde wijze moet al wie in zijn geest sterk wil blijven zijn eerste doel stellen in God, die elk schepsel versterkt overeenkomstig het doel waarvoor Hij het heeft geschapen. Het is onmogelijk dat een schepsel zich ergens anders op zou kunnen houden. Zij blijft onvoldaan zo lang zij niet teruggekeerd is tot haar oorsprong, dat is God zelf.
De mens is geschapen om de gelukzaligheid te bezitten. Door zich daarvan te verwijderen, heeft hij zich ongelijkvormig gemaakt en heeft hij zich een eigen wezen gemaakt dat tegengesteld is aan de gelukzaligheid. Daarom zijn wij genoodzaakt ons eigen wezen aan God te onderwerpen. Ons eigen wezen geeft onze geest zo veel bezigheden en verhindert daardoor dat wij de rechte weg gaan. Het is nodig dat God dat eigen wezen verteert, zozeer dat er niets anders overblijft dan Hij. Zo lang dat niet het geval is, kan de ziel geen vastheid en geen bevrediging vinden, want zij is niet voor een ander doel gemaakt.
Daaruit volgt dat God, als Hij dit kan, de vrije wil van de mens tot zich trekt met zoete middelen. Als Hij daarin slaagt, plaatst Hij hem in de gewenste richting om hem te leiden tot de vernietiging van zijn eigen wezen.
Op deze wijze is mijn wezen, mijn ik, mijn kracht, mijn geluk, mijn goed en mijn vreugde in God. Dat 'ik', dat ik uitspreek, doe ik voorkomen als mijn, omdat ik me niet anders kan uitdrukken, maar in feite weet ik niet wat dit ik, dit mijn, deze vreugde, dit goed, deze kracht, deze vastheid of dit geluk is. Ik kan mijn ogen nergens op richten, in de hemel noch op aarde.

In deze ziel was het verstand zodanig gericht dat het nooit iets zocht te begrijpen in de hemel noch op aarde, zelfs niet de geestelijke werkingen die haar betroffen. Zij handelt zo om nooit meer iets in zichzelf of in een ander te zoeken.
Hier zou je kunnen vragen: Waar houdt de activiteit van het verstand zich dan mee bezig? Ik antwoord dat alle vermogens van de ziel voortdurend actief waren in God. Als er iets te doen was werd haar op het moment zelf waarop het vervuld moest worden, te kennen gegeven wat zij moest doen. Direct daarna sloot de poort zich weer.
Wat haar geheugen betreft zou zij niet méér kunnen verklaren, want haar bleef niets over, alsof zij zonder vermogen was zich iets te herinneren of iets te begrijpen. Dat voltrok zich niet in de vorm van een menselijke redenering. Zoals zij helemaal handeling was, zag en handelde zij tegelijkertijd. Men begrijpt gemakkelijk dat het God was die handelde, terwijl zij zozeer geabsorbeerd bleef dat zij geen tijd, geen plaats, geen wil en geen vrijheid had om zich naar een andere kant te wenden dan waarheen God haar ogenblikkelijk wendde. Zij kon niets anders beschouwen dan wat God haar van moment tot moment voorhield. Zo was zij een en al aandacht voor die handelingen op het moment waarop zij die moest volbrengen. Als het moment voorbij was, was voor haar ook de herinnering voorbij. Alsof zij het niet zelf was die handelde, bleef er bij haar niets van over.

Zij sprak: God regelt de vermogens van de ziel en stelt ze in, zozeer dat Hij ze weghaalt uit hun eigen werkingen. Zo gebeurt het dat het verstand niet meer kan begrijpen, het geheugen niet meer iets vast kan houden en de wil niets kan verlangen, maar dat deze vermogens samen de aanwezigheid waarnemen van iets groots dat hen overstijgt en dat zij niet kunnen bevatten, omdat God, door zijn handelen in die ziel te vergroten, in haar het begrijpen en het vatten verteert. Op die wijze werpt Hij alle activiteiten waardoor zij iets geestelijks voor zichzelf of voor anderen zou kunnen verwerven buiten. Als dit niet zo zou zijn, zou zij niet zuiver zijn voor het oog van God.
Wanneer de ziel ontbloot is van de genoemde activiteiten, stort God grotere gaven en genaden in haar, die haar nooit zullen ontbreken. Veeleer zullen zij nog groeien. Daardoor beweegt zij zichzelf niet meer, maar blijft altijd in God door de instorting van een zuivere, reine enkelvoudige liefde, waardoor zij in het vervolg God bemint zonder waarom en op de wijze waarop Hij moet worden bemind. Omdat die liefde uit God uitgegaan is, doet deze de ziel op haar beurt beminnen met die enkelvoudige Waarheid.

Zij sprak: Door Gods genade vind ik in mezelf een bevrediging zonder voeding, een liefde zonder vrees, dat wil zeggen zonder vrees dat me ooit iets zou ontbreken. Het lijkt me dat ik het geloof geheel heb verloren. De hoop is dood, want het lijkt me dat ik met zekerheid heb en houd wat ik vroeger geloofde en hoopte. Ik zie geen vereniging meer, want ik ken niets anders dan God alleen en ik kan nog slechts God alleen zien, zonder mij. Ik weet niet waar ik ben, ik probeer niet dat te weten en ik zou er niets over willen vernemen. Op deze wijze ben ik geplaatst en ondergedompeld in de fontein van zijn immense liefde, alsof ik op de bodem van de zee ben onder alle wateren en ik van geen enkele kant iets anders zou kunnen aanraken, zien of horen dan alleen het water. Op deze wijze ben ik verdronken in dit zoete liefdesvuur, waarvan ik niet meer kan begrijpen dan dat het geheel en al liefde is.