Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Henri Le Saux (1910-1973)  
  Henri le Saux (1910-1973)  

Enkele jaren na zijn intrede in een benediktijns klooster wist Henry Le Saux dat zijn eigenlijke roeping als monnik in India lag. Daar verbleef hij vanaf 1948, eerst in de christelijke ashram Shantivanam en later als kluizenaar. Hij ging de weg van advaita, ontmoette kort voor diens dood Ramana Maharshi, had een guru en bereikte kort voor het eind van zijn leven de verlichting.
In zijn vroege geschriften beschouwde hij het christendom en met name de drieëenheidsleer als een aanvulling op advaita. Nadat hij zelf de advaitische eenheidservaring gehad had, zag hij geen onderscheid meer tussen christendom en advaita.

In de diepte van de stilte van de Geest en als opwellend uit het Woord dat in hem woont, hoort de christen die het zeventiende hoofdstuk van het Johannesevangelie overweegt in het allerdiepst van zijn ziel hetzelfde Zijn-Bewustzijn-Gelukzaligheid (Sat-Chit-Ananda) resoneren, maar dan een Zijn-Bewustzijn-Gelukzaligheid dat nu heel haar geheim uitdrukt:

Jullie zijn één met mij,
zoals ik Eén ben met de Vader
en de oneindige Glorie van het Zijn,

de allerhoogste openbaring van het ongedeelde Zijn.

jullie hebben van mij ontvangen
de kennis zelf
die ik van Hem heb ontvangen,

de openbaring van het Bewustzijn eigen aan het Zijn, aan God, dat HIJ IS.

Door Hem bemind en Hem beminnend
zoals Hij en ik elkaar beminnen
in de Volheid van onze Vreugde,

de allerhoogste openbaring van de Gelukzaligheid, van de vreugde van het Zijn.
Het christelijke Satchitananda is niet meer gesloten, maar ontwaakt, is niet langer monade, maar gemeenschap.
Is het christelijke Satchitananda niet waarlijk het mysterie zelf van de Geest, dit geheim der geheimen van God, allerdiepst verborgen in de schoot van de Vader?

Wanneer de christelijke wijze (jnani) ontwaakt uit de advaitische nacht, is hij alleen, in de aanwezigheid van de Vader, of, beter gezegd, hij ervaart alleen de aanwezigheid van de Zoon bij de Vader, waarin hij zelf is ingesloten. Op dit niveau is hij echter nog steeds niet in staat zichzelf of de wereld te onderscheiden binnen deze overwelmende ervaring. Als hij in geloof tot God bidt, is zijn gebed nog omvat in het enige Gij dat de Zoon eeuwig richt aan de Vader in de goddelijke eenheid. In de schoot van de Vader is hij nog zo diep verborgen in de goddelijke voortbrenging van de Zoon dat hij zichzelf niet kan herkennen. Dit is zo iets als de ervaring waarnaar Paulus verwees toen hij aan de Kolossensen schreef: 'Uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer Christus, die uw leven is, verschijnt, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid' (Kol. 3,3-4).
Maar dan openbaart de Geest in het mysterie van de Vaders naam, Abba, aan de ziel het grotere en nog onuitsprekelijker mysterie dat in de naam God zelf vervat zit: 'Eloi! Mijn God!' (Mc. 15,34). Dan leert de mens dat God aan te roepen niet een elementair gebedsniveau is, niet slechts een stap in de opgang naar de Vader. Tot zijn verbazing lijkt de naam God heel nieuwe diepten te openen in het hart van de Vader. Wanneer Jezus tijdens zijn leven op aarde zijn Vader aansprak met de naam God, zong hij voor Hem een onvergelijkelijk liefdeslied, en kwamen in het hart van zijn Vader mateloze schatten aan tederheid en mededogen vrij. Terwijl hij wachtte en zich haastte naar zijn 'uur', werd voor hem de barmhartigheid en de liefde van de Vader elke dag van zijn leven zichtbaarder in de schepping en in het menselijk leven.
Wanneer de ziel dieper in het innerlijk of de innerlijkheid van Jezus doordringt, stelt de Geest haar in staat om zich steeds innerlijker de betekenis van deze naam van God, waarmee Jezus de Vader zelfs op het kruis aansprak, te realiseren en deze te verwerkelijken. Door Jezus' onderricht ontdekt, of beter: herontdekt de ziel in deze naam het mysterie van het Pleroma, van de Volheid. Hierin vindt zij heel de schepping, heel het zichtbare en onzichtbare universum, heel de mensheid en elk individu, en uiteindelijk zichzelf. Hierin hervinden alle dingen hun betekenis, hun plaats en hun identiteit in de oneindige straling van Gods liefde. (...)
God – eeuwig, volkomen op-zichzelf-bestaand, met al zijn oneindige liefde, zijn scheppende kracht en zijn innerlijk drie-persoonlijk leven – is volledig aanwezig in het kleinste materiedeeltje of tijdsmoment, in de zandkorrel, in de kleinste microbe, in de meest triviale gebeurtenis in de wereld of in het leven van het individu. (...)
De openbaring van de Drieëenheid betekent dat er geen onderscheid is tussen God en zijn zelf-manifestatie in het mysterie van zijn innerlijk wezen. Schepping is de 'expansie' van zijn innerlijke zelf-manifestatie. Wanneer God schept, wanneer hij uitgaat om de mens, zijn schepsel, te ontmoeten, doet Hij dat altijd binnen deze innerlijke zelf-manifestatie. Hij engageert zichzelf altijd in de volheid van zijn mysterie. Omdat Hij van nature ondeelbaar is, kan zijn manifestatie onmogelijk slechts een deel van Hem betreffen. In zijn oneindigheid is Hij volledig aanwezig in het kleinste moment van de voorbijgaande tijd of in het minste materiedeeltje in de stroom van het worden. (...)
Het mysterie van de heilige Drieëenheid openbaart dat Zijn in essentie een gemeenschap van liefde is, een wederzijdse roep om te zijn, samen-zijn. De essentie van het mysterie van de Drieëenheid is een komen-van en een gaan-naar, een geven en ontvangen. Al wat is, is gemeenschap, zich uitstrekkend van de Vader, de Bron van alles, tot de Geest, de voltooiing van alles, en doorgegeven door de Zoon en door alles wat in de Zoon is geschapen.

De hoogste top van alle correlaties uit de Upanishads was de Upanishad van atman-brahman, de ontdekking van de identiteit, of beter gezegd, van de non-dualiteit van dat diepste centrum van mijzelf, atman, en het diepste centrum van het universum, brahman. Dit uiteindelijke inzicht is door alle zijnslagen, door elk beeld, door elke bemiddeling heen gegaan. De pijl heeft het oog van de stier getroffen. Door zichzelf is atman tot zichzelf gekomen. Het 'ik' dat het op de verschillende bewustzijnsniveaus deed resoneren: het fysieke lichaam, leven, denken - wanneer het uitgesproken wordt in het diepste zelf, blijkt het wezen dat bestaat uit verlangen en wil één te zijn met het 'Ik' uitgesproken door het kosmische absolute, brahman, aan de bron zelf van zijn zelf-manifestatie. Aham amsi, aham brahma asmi (ik ben, ik ben brahman) verklaart de Brihadaranyaka Upanishad (1.4.10). Tat tvam asi (dat ben jij; Chandogya Upanishad 6.8.7) is het uiteindelijke onderricht van de leraar op het moment waarop de machtige wateren alle dijken doorbroken hebben en de glorie van het ene licht geschenen heeft vanuit de diepte van het zijn en heel de wereld verlicht heeft.

Eenieder die dit overwelmende licht ontvangt, versteent en versplintert tegelijkertijd. Hij kan niets zeggen, hij kan niet meer denken, hij blijft eenvoudigweg daar, buiten tijd en ruime, alleen in het alleen-zijn van de Alleene. Het is een ongelooflijke ervaring, deze plotselinge openbaring van Arunachala's oneindige zuil van licht en vuur.

O Christus, mijn Beminde, waarom hebt u, om mij uw genade te geven, uzelf verborgen onder de gestalte van Shiva, van Arunachala, van Ramana de heilige leraar en van de naakte zwerver Sadashiva? Is al dit uw goddelijk spel? U neemt elke vorm aan als u met ons speelt, want het is uw wens dat wij u zouden zoeken voorbij alle vormen! Want in heel de wereld is er geen vorm die niet de uwe is, die niet u verbergt voor de onwetende en openbaart voor wie weet.

Ik meen dat de beste beschrijving van mijn ware toestand sinds Arunachala de vergelijking met de dageraad is, zelfs nog vóór de zon is opgegaan, als de hemel al begint op te lichten. Licht, vrede, gelukzaligheid. De vogels zingen al, ook mijn hart zingt. Vreugdevolle verwachting van het verschijnen van de zegevierende bol.

Het is volstrekt natuurlijk dat monniken van elke traditie elkaar over de grenzen van hun respectievelijke tradities heen herkennen als broeders. Dit volgt uit het overstijgen van alle tekenen waarvan zij getuigen. Er is inderdaad een 'monastieke orde' die universeel is en allen omvat. Dit is natuurlijk niet een soort 'orde' die hen probeert te organiseren, want dit zou het essentiële charisma van het monastieke leven, het onlesbare verlangen naar de Absolute, vernietigen. Het is voldoende dat zij dit in elkaar herkennen wanneer zij elkaar ontmoeten. Inderdaad antwoorden zij die waarachtig zijn elkaar zonder woorden. Ondanks alle verschillen in observantie, taal en culturele achtergrond, zien zij in elkaars ogen die diepte die de Ene Geest in hun eigen hart heeft geopend. Zij voelen de gelukzaligheid, het licht, de onuitsprekelijke vrede die eruit opwelt. En wanneer zij elkaar omarmen, wat zij vaak spontaan doen, is dit een teken dat zij hun ingeboren 'non-dualiteit' gevoeld en herkend hebben, want in de sfeer van het ongeborene is waarlijk geen 'andersheid.'