Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Jacopone da Todi (ca. 1230-1306)  
  Jacopone da Todi (ca. 1230-1306)  

Eén van de zeer weinig geschriften van Franciscus is het Zonnelied, waarin hij in heel de schepping verwijzingen naar God ziet. Zijn orde bracht meerdere minnezangers voor.
Na de vroege dood van zijn vrouw leidde Jacopone da Todi tien jaar een leven van strenge boetedoening. De gedichten die hij schreef waren vooral devotioneel en getuigden van een sterk observatievermogen. Als minderbroeder streed hij voor het behoud van het franciscaanse armoede-ideaal. In de corrupte paus Bonifacius VIII zag hij de anti-christ. Dat kwam hem op zes jaar gevangenschap te staan.
De gedichten uit zijn laatste levensjaren hebben nog slechts één thema: de mystieke liefde tot God.

Waarom verwond je me, wrede liefe,
bind je me en trek je de koorden aan?
Mijn hart, in stukken, trilt,
door vlammen omcirkelt,
zoals was smelt, zo sterft het.
Ik vraag uitstel. Het wordt niet verleend.
In een gloeiende oven geworpen
leeft en sterft mijn hart in dat vuur.

Toen mijn hart nog van niets wist, argeloos
vroeg ik de genade U te beminnen, Christus,
vertrouwend dat liefde een kalme vrede zou zijn,
een hoge vlucht, alle pijn achterlatend.
Nu voel ik mij gepijnigd bovenmate
want die verzengende hitte verscheurt mijn hart.
Deze liefde is voorbij beeld of gelijkenis -
mijn hart klopt niet langer en in vreugde sterf ik. (...)

Hemel en aarde en al wat geschapen
roept nadrukkelijk dat ik moet minnen:
'haast je de Liefde te omhelzen
die ons allen heeft gemaakt, bemin met heel je hart!
Omdat die Liefde jou zozeer verlangt
gebruikt zij alle dingen om jou tot zich te trekken.'
Ik zie slechts goedheid en schoonheid en hoffelijkheid
stromend uit dit overvloedig heilig licht!

O, dat mijn hart niet wankelt en inzakt!
Dat ik intenser kon beminnen,
dat ik meer dan mezelf kon geven
aan dat onbeperkte licht,
die lieflijke straling.
Ik geef al wat ik heb
om de Minnaar te bezitten die mij onophoudelijk vernieuwt,
die oude Schoonheid eeuwig nieuw!

In het zicht van zo'n schoonheid word ik weggevaagd
uit mezelf, naar wie weet waar;
mijn hart smelt, als was bij het vuur.
Christus stempelt mij met zijn zegel en van mijzelf ontkleed
(een wonderbare ruil!) trekt ik Christus aan.
Gekleed in dit kostbare gewaad,
haar liefde uitschreeuwend,
verdrinkt de ziel in verrukking!

Al haar kracht en rijkdom overgevend,
lieflijk haar bestemming,
strekt ze haar armen uit
naar Christus, omhelst Hem
en schouwt zijn schoonheid.
Niet langer haar eigen meesteres, zelfs de herinnering
aan haarzelf, haar noden en verlangens is verdwenen.

Verenigd met Christus is zij bijna Christus;
met God vermengd wordt zij goddelijk.
Verheven tot deze top, in het bezit van zo'n rijkdom,
is de ziel Christus' koningin en van heel zijn gebied.
Hoe kan zij ooit nog bedroefd zijn
en genezing behoeven?
Verdwenen de poel van ongerechtigheid, de broedplaats van zonde,
verdwenen de oude wereld met al haar stank. (...)

Liefde, Liefde, je hebt me gewond,
alleen jouw naam kan ik aanroepen;
Liefde, Liefde, ik ben één met Jou,
laat me Jou alleen omhelzen.
Liefde, Liefde, onstuimig heb Je weggevaagd,
mijn hart is buiten zichzelf van liefde;
ik wil bezwijmen, Liefde, mag ik Jou altijd nabij zijn:
Liefde, ik smeek Je, laat me sterven van liefde.

Liefde, Liefde-Jezus, ik sta aan de poort;
Liefde, Liefde-Jezus, U hebt me daar geleid.
Liefde, Liefde-Jezus, vertroost mij;
Liefde, Liefde-Jezus, U hebt mij ontvlamd.
Liefde, Liefde-Jezus, zie mijn noden:
houd mij altijd in Uw omhelzing,
met U verenigd in ware liefde,
de hoogste verwerkelijking van eenmakende liefde.

'Liefde, Liefde,' roept de wereld uit,
'Liefde, Liefde,' jubelt heel de schepping.
Liefde, Liefde, Je bent zo onuitputtelijk
dat hij die Jou innig omhelst Jou nog meer verlangt!
Liefde, Liefde, volmaakte cirkel, wie Jou binnengaat
bemint jou met heel zijn hart. Je bent schering en inslag
van de mantel van wie Jou bemint, vult hem met zo'n genot
dat hij opnieuw en opnieuw uitroept: 'Liefde!'

Liefde, Liefde, Je bent me zo lief;
Liefde, Liefde, niet meer!
Liefde, Liefde, Je geeft me Jezelf;
Liefde, Liefde, ik ben de dood nabij.
Liefde, Liefde, zozeer omhels je mij;
Liefde, Liefde, laat mij sterven, sterven in jou!
Liefde, smachtend verlangen, zoetste dood,
genezende Liefde, verdrink me in Liefde.

Liefde, Liefde, mijn hart breekt;
Liefde, Liefde, zo diep de wond!
Liefde, Liefde, Jouw schoonheid trekt me naar Jou;
Liefde, Liefde, Je hebt me weggevaagd.
Liefde, Liefde, ik minacht dit leven;
Liefde, Liefde, laat mijn ziel één zijn met Jou!
Liefde, Je bent het leven – mijn ziel kan niet leven zonder Jou;
waarom laat je haar bezwijmen, omhels je haar zo nauw, Liefde?

Liefde, Liefde-Jezus, vol verlangen,
Liefde, ik wil sterven in Jouw omhelzing.
Liefde, Liefde-Jezus, mijn lieflijke Bruidegom, ik vraag U om de dood.
Liefde, Liefde-Jezus, mijn grootste vreugde,
U geeft Uzelf aan mij over, maak me één met U:
zie dat ik van liefde voor U bezwijk,
Liefde, en dat ik niet weet waar ik ben.
Jezus, mijn hoop, verdrink mij in Uw liefde.