Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Jean de Saint-Samson (1571-1636)  
  Jean de Saint-Samson (1571-1636)  

Op driejarige leeftijd werd Jean du Moulin blind als gevolg van een verkeerde behandeling toen hij de pokken had. Zijn pastoor leerde hem grammatica en gaf hem muziekles. Op school kreeg hij bijzondere aandacht, wat hem onder andere in staat stelde Latijn te leren. Hij bleek een zeer begaafd musicus, zowel in het sacrale als profane. Zijn oom, bij wie hij woonde nadat hij op zijn tiende wees was geworden, hoopte dat hij daarmee de kost zou kunnen verdienen. Zijn aandacht ging echter meer en meer uit naar het innerlijk leven en hij liet zich mystieke werken voorlezen. Rond 1600 woonde hij bij zijn broer en schoonzus in Parijs. Na hun dood, in 1601, had hij enkele jaren geen vaste woonplaats en leefde in grote armoede. Hij bad en mediteerde in kerken. Aan één ervan was hij verbonden als organist. In het klooster van de Karmelieten nam hij deel aan een gespreksgroep over mystieke teksten, waar hij opviel door de affiniteit die hij ermee had. Mensen kwamen bij hem voor geestelijke begeleiding. In 1605 werd hij lekebroeder bij de Karmelieten, eerst in een klooster in Bretagne, waarvan hij een jonge pater in Parijs had leren kennen. Later werd Jean de Saint-Samson, zoals zijn kloosternaam luidt, overgeplaatst naar de Karmel in Rennes, om met zijn charisma ondersteuning te bieden bij de hervorming die van daaruit geleid wordt. Hij was er organist en zonder officiële functie betrokken bij de vorming van de novicen, gaf begeleiding aan talrijke mensen en dicteerde brieven en mystieke teksten. Twee daarvan zijn uitgegeven. Hieronder is ongeveer een derde van het korte L'épitalame de l'Epoux divin et incarné et de l'épouse divine en l'union conjugale de son Epoux (Het bruiloftsgedicht van de goddelijke mensgeworden Bruidegom en de bruid, goddelijk in de huwelijksvereniging met haar Bruidegom) vertaald. Het is klaarblijkelijk half in extase gedicteerd; als gevolg van zijn blindheid werd Jean de Saint-Samson niet afgeleid door het gebruik van pen en papier. In dit genre van minnend verwijlen bij de geliefde reeg hij soms onwaarschijnlijk lange zinnen aaneen. Waar mogelijk heb ik deze in kortere eenheden weergegeven. In de eerste helft spreekt de bruid afwisselend verlangend en genietend tot haar Bruidegom. Dan antwoordt Hij haar.

Ik heb honger, o, mijn Liefde! Kom snel, verzadig uw bruid met haar geneugten, waarvan u het object bent. Verzadig uw bruid in onze gemeenschap, die volledig geworden is door de kracht van onze onstuimige en fascinerende overstromingen. Dan zal uw bruid in alles tevreden, voldaan en geheel verzadigd zijn. En als u zich niet haast om te komen en snel binnen te gaan in ons bed voor onze gemeenschappelijke rust en onze gemeenschappelijke genieting, kan ik niet anders dan smachten in mijn ongeduld, wachtend op het zo gelukkige en fortuinlijke moment waarop u zich verwaardigt verliefd in uw bruid binnen te gaan, om haar helemaal te vervullen van gejuich en gejubel. Dan zal zij uit uw zeer lichtende en stralende volheid terugvloeien in het meest intieme en meest verborgene van haarzelf. De weelderige overstromingen van uw volheid overstromen al haar vermogens als zij in alle richtingen de zee van uw zeer wijde Godheid bevaart, daar waar de Bruidegom en de bruid één zullen zijn zonder onderscheid of verschil, als men dit kan zeggen.
O, mijn Liefde en mijn Leven, hiermee bedoel ik niet ook maar in het minst uw gaven te scheiden of te onderscheiden van uzelf. Dat zou sensueel zijn en niet goddelijk, zoals ik dat ben. Want u bent in het geheel niet zonder al uw gaven. Omdat ik u zuiver en volledig voor altijd bezit, vrees ik daarom nooit gebrek of armoede wat uw gaven betreft, want de Bruidegom is noch in zichzelf noch in zijn bruid zonder de algehele volheid van zijn gaven, om haar mooier te maken, haar te sieren en haar vorstelijk te vervolmaken tot het hoogste punt, volgens de eeuwige orde van zijn eeuwige voorkennis en de verhevenheid van zijn allerhoogste graad. Maar, o mijn Liefde, zoals u een verterend vuur bent om uw bruiden te verteren, om hen helemaal te verzwelgen in u, om hen in de steeds afgrondelijker diepten in uw vermenselijkte Godheid te werpen, te verliezen en te verdrinken, zo branden zij ook van u in u, in hun liefde dan wel in de uwe – daarmee is veel gezegd -, waarin en waardoor zij helemaal verteerd zijn omwille van uw allerhoogste gelukzaligheid in zichzelf en in u, als ook voor die van hen in u. Daarenboven heb ik altijd gezegd, o, mijn Liefde, dat ik meen dat ik me niet ver hoef te verlagen om op een gemeenschappelijke wijze uit mezelf uit te gaan, want wat onzegbaar is en op onzegbare wijze wordt bezeten, moet worden gezien en bezeten in een wederzijdse genieting waarin de twee minnaars één zijn, zonder bewondering en boven de bewondering.
Maar zeg mij, mijn Bruidegom, hoe en waarin hebt u onze liefde voor u en voor mij voltrokken? Ik heb het u al gezegd, maar beveel mij niet langer naar buiten te gaan, want het bevalt me om in het diepste diep van u binnen te gaan door aan het krachtige streven van mijn liefde te verzaken. Door een geheime passieve kracht, besta ik dan in uw intuïtieve beschouwing, enkelvoudig en zeer verheven, een beschouwing waarvan de intuïtieve blik me vast en onbeweeglijk vasthoudt binnen in uzelf. Uw innerlijk brengt mijn intuïtieve blik in verrukking en bewaart hem voor eeuwig in de enkelvoudige en unieke substantie in het diepste diep van uzelf, waar u bestaat door uw eeuwig principe in de gelijkheid met uzelf. Daar vindt u uw vreugde door hem en in hem. En ik en uw andere bruiden, wij worden onstuimig in de grootste liefde getrokken die uit uw blik en uw wederliefde uitgaat in de oneindige kracht van heel uw vruchtbaarheid, in het verheven bestaan van hem door wie wij zijn. Laat deze aantrekking nu reeds volledig zijn, zoals zij dat is voor enkele van uw bruiden. Als ik me dan zo diep door u en in u verzonken zie, waarom zou ik me dan verbazen als u in de zoetheid van uw onuitsprekelijke liefde tegen mij zegt dat ik helemaal mooi ben en dat ik zonder gebrek ben (Hl. 4,7)? In waarheid weet ik dat ik dat zal zijn wanneer ook ik door u in u omgevormd zal zijn. Dat is wat u wenst. Ik wil hier niet uitweiden over de gevolgen daarvan, want daar waar de liefde is, daar zullen ongetwijfeld al haar gevolgen zijn. En als er één ontbreekt, is de Liefde daardoor enigermate onvolmaakt, of zij is zelfs helemaal niet.
Maar wat wil ik hier zeggen? U begrijpt me goed, ook wanneer mijn eenvoudige en allerhoogste verzuchtingen niet genoeg uitdrukken, evenals mijn allerhoogste en essentiële strevingen en mijn eenvoudige blikken, die subtiel en behendig tot u opvliegen, als bliksemschichten. Ah, mijn Liefde en mijn Leven! Wat maakt het uiteindelijk uit mij mooi te noemen, verliefd op u als ik ben, in liefde of boven de liefde, in de liefde zelf van uzelf? Of veeleer, in uzelf, die zozeer uw bruiden in verrukking brengt door uw schoonheid, dat zij helemaal in haar omgevormd worden, in de kracht van de samenvoegende liefde die hen verbindt, hen verenigt en hen zeer nauw samenvoegt door de meest unieke knoop en band, met de meest intieme en de meest diepe liefde die ooit kan worden bevat?
Veronderstel daarom, mijn Leven en mijn Liefde, dat ons gemeenschappelijk weten en ons verstaan daarvan waar is. U kunt mij dan aankondigen aan engelen en mensen, beter, aan de jonge meisjes die lopen in de geur van uw zalven (Hl. 1,3) en in de kracht van uw bekoorlijke schoonheid, om u nooit uit het oog te verliezen en nooit uw werkdadige en zoete aanraking te verliezen. Ja, o, mijn Liefde en mijn Bruidegom, u mag me wel luid en duidelijk helemaal mooi noemen, helemaal zuiver en heilig, zonder enige smet (Hl. 4,7). Als het in zekere zin niet helemaal waar is, is het in een andere zin erg waar. Het is genoeg als u me daar bovenuit begrijpt en als dit geheim tussen ons wordt uitgesproken.
Maar wat, mijn Liefde en mijn Leven, ik ben uw liefdesbruid en uw bloedbruid, en u van uw kant bent mijn Liefdesbruidegom en mijn Bloedbruidegom (Ex. 4,25). Te lang al, o, mijn Liefde, verzucht ik naar u en naar het bezit van Uw Majesteit in persoon, om nu de viering van ons goddelijk huwelijk te herhalen, zoals wij dat beide gretig en onverzadigbaar verlangen. In hun beoefening en in hun uitvoering moeten onze liefde, onze verlangens en onze geesten zich vernieuwen door de ondersteuning van ons allerhoogste en goddelijk genot. (...)
Maar, o mijn Liefde en mijn Leven, u bent in mij binnen gegaan op hetzelfde moment waarop ik het uitspreek, om mijn verlangen helemaal te stillen, evenals mijn uitgehongerde trek in uw krachtigste essentiële genietingen in onze erg nauwe vereniging. U verwacht van mij dat ik dit verlangen zo groot mogelijk maak, om het te vullen. Ik heb het verwijd tot in het oneindige en voortdurend hebt u uw genietingen gegeven om het te vullen met de wederzijdse vereniging van onze twee personen. U giet in mij de onstuimige overvloed van uw goddelijke en enkelvoudige genietingen. Laten wij daarom beide (elkaar) zuiver en volkomen bezitten, o mijn Liefde en mijn Leven, in de kracht van onze wederzijdse omarmingen. En daarin en daarom, laat nooit, volstrekt nooit, de schepselen en hun bedrijvigheid onze gezamenlijk rust kunnen verstoren (Hl. 2,15).
Maar omdat mij de levensadem slechts zoet en aangenaam is in u, wil ik graag dat u weet, o mijn Bruidegom, dat ik heel jaloers ben op u. Daarom vrees ik, meer dan ik u kan zeggen, uw terugtocht en uw afwezigheid in mij, al was het maar voor een moment. Ik wil graag, o mijn Liefde, dat u mijn gezellen bezoekt en verheugt met uw goddelijke en heerlijke aanwezigheid. Maar omdat u zich overal op de grootst denkbare wijze verheugt en omdat u alles kunt, neem dan niet heel uw welbehagen en heel uw verlustiging mee naar hen en in hen zonder mij en ten nadele van mij. Dit hangt af van uw welbehagen en van de kracht van uw liefde.
Maar wat? Lijkt het u niet, o mijn Liefde, dat ik in mijn overvloed vrees uw genot te ontberen, zoals mij dat in het verleden gebeurde? Nee, wat ik ook zeg, ik vrees het niet, want u bent voor mij en ik voor u, u bezit mij en ik bezit u, helemaal en algeheel. Wij zijn slechts één in de ene eenheid van ons beiden, allebei evenzeer verrukt van de liefde en de schoonheid van de ander, de een in de ander. Wij zijn beide verrukt door de wederkerige en onuitsprekelijke omhelzingen van elkaar. Wij bezitten daarin elkaar in gelijkheid van genietingen, in gelijkheid van enkelvoudigheid, in een enkelvoudige liefde, in onze enkelvoudige, ene essentie, boven elk handelen, boven de passie, boven de overstroming, boven de liefde zelf, in de liefde, of zelfs liefde zonder liefde, in de zeer enkelvoudige, zeer ene en zeer aandachtige wederzijdse en gemeenschappelijke blik op ons beiden, in onze ene enkelvoudigheid, boven alle begrip, boven de bewondering, zonder bewondering, in het onuitsprekelijk onuitsprekelijke, waar ik helemaal ondergedompeld en verloren ben van liefde en geluk, boven de liefde en boven het geluk, in het ene object, dat me onbeweeglijk en verrukt houdt, vergroeid in een eeuwige aandacht zonder aandacht in u en voor u, mijn enig object en mijn Bruidegom.
Wat is dat alles? Laat hij het vatten die het kan, het uitdrukken die het begrijpt, als hij het wil. Als hij het kan, is het hem toegestaan. Maar daar bovenuit, laat hij er stil over zijn, hij wiens plicht dat is, want hier spreekt ons genot intuïtief in ons beiden door zijn diepe, eeuwige en onuitsprekelijke stilte. Het spreekt, niet hierover, noch over iets dat eraan toebehoort, maar iets oneindig anders dan dit en buiten dit.
Maar ondanks deze overweging zal ik mijn woorden laten stromen, zonder ze echter te laten stromen, om u in ons gemeenschappelijk verliefde samenwonen te zeggen dat ik u zo vaak in persoon verzwolgen heb, zoals ik u vasthoud en u bezit door datzelfde verzwelgen van u in mij. En u hebt u bediend van mijn vaardige handeling, die altijd even vaardig is in de kracht van onze gemeenschappelijke liefde, om mij als persoon helemaal in u te verzwelgen [Voor de mystici is de eucharistie een krachtig, 'vaardig' middel om zich met God te verenigen, om in Hem op te gaan.], daar waar ik altijd geweest ben wat ik nu ben, u zelf in uzelf, zonder verschil of onderscheid met uzelf.
En daar bovenuit, wat me voorheen gegeven is, toen ik voor u een verliefde nieuwe bruid was, is dat u zich bediend hebt van het vaardige middel van mijn verstoting van u [Vgl. Johannes van het Kruis: het geestelijk huwelijk vindt plaats na de donkere nacht van de geest, waarin de ziel zich door God verstoten voelt.], voor de vaardige voltrekking van uw liefde in u en in mij, om ons door een plechtig huwelijk samen te voegen als Bruidegom en bruid, om onze wederzijdse liefde geheel te voltrekken in het Ene van ons beiden. Niet om het even welke vereniging van onze personen, maar in de ene eenheid van ons beiden, boven de vereniging en in de diepe en enkelvoudige eenheid van onze twee personen, daar, waar wij één zijn in enkelvoudige eenheid, waar wij ons gemeenschappelijk goed genieten en rusten in ons object, in de wederzijdse en enkelvoudige vergroeiing, het enkelvoudige onuitsprekelijke en ene welbehagen van de een in de ander. En daarboven moet elk schepsel eerbiedig zwijgen. (...) Het is genoeg dat wij elkaar begrijpen, boven alles uit. (...)

O mijn dochter en mijn bruid, ik ben tot je gekomen op het hoogste punt van de allerhoogste voldoening. Gretig verlang ik om je door mij in mij op te nemen, je zacht te doen sterven in mijn armen, in de zoete kracht en in het verliefde geweld van zeer krachtige en zeer nauwe omhelzingen, waardoor ik je in mijn armen vasthoud in de uitgestrekte oneindigheid van mijn essentie en van mijn liefde, om je volledig te maken en je in mij te laten genieten van mij en van al wat ik ben, door het goddelijk spel dat wij beiden gelijkelijk beoefenen. In mij, in wie je helemaal omgevormd bent boven elke graad van omvormende liefde, want je hebt je oorspronkelijke essentie bereikt, die ik ben. In mij, in wie je zult leven en verblijven als ik zelf, zonder onderscheid of verschil met mij, die jouw rust ben, jouw volkomen gelukzaligheid en heel jouw paradijs. (...) Ik houd je vast in mijn omarming, zoals jij mij vasthoudt in jouw omarming. En dezelfde liefde die mij zacht dwingt jou nauw tegen mij en in mij te houden, die liefde noodzaakt jou door haar zoete impulsieve kracht om mij nauw tegen jou aan te houden. In elkaar van elkaar genietend boven de liefde, in de heerlijke kracht van onze gezamenlijke en samengevoegde liefde, zul je onbeweeglijk en met mij vergroeid blijven. Zonder je geschapen essentie te verliezen, zul je aan mij gelijk gemaakt worden, mij en al wat ik ben in mijzelf bezitten, zowel in het verliefde handelen als in de verliefde passie en bovenmatige passie van ons beiden in ons beiden.
Want wat je niet hebt en wat je niet bent en wat je van nature ook niet moet zijn, namelijk mijzelf in mezelf en van mijzelf, dat ben je en bezit je in de liefde die vanuit ons beiden handelt. Jij bent zelf heel ik zelf in mij, in de wederzijdse en wederkerige liefde, waarin wij beiden passief en bovenpassief zijn. Daarom, omdat je jezelf voorbij gegaan bent door niet in te gaan op je actieve en uitgehongerde begeerte, ben je voorbij jezelf en in mij gegaan, in de eeuwige uitgestrektheid en het eeuwige genot van je Bruidegom, die ik ben, tot mijn en jouw oneindige tevredenheid, die, als gevolg van jouw grootse en volkomen gelijkenis met mijn goddelijke natuur, niet actief en reflexief uit twee personen in twee personen lijkt op te wellen. Zij bestaat in de eenheid zelf van de zeer heilige en zeer enkelvoudige handelende vruchtbaarheid van waaruit jij terugkeert tot het algehele genot van al het enkelvoudige, het vruchtbare en het ene van de oneindige kracht van de enkelvoudige, ene liefde. (...)
Zie, mijn dochter en mijn bruid, wat ik ben en wat wij zijn in wat ik ben in mij en in jou, in mijn mensheid en mijn godheid, die beide gelijkmatig door elkaar, in elkaar en voor elkaar bestaan, en in jouw goddelijke mensheid, die bestaat door mij, in mij en voor mij, daar waar het één-zijn heel de gelukzaligheid van mijn oneindige natuur zuiver en openlijk voor mij vasthoudt en bezit – uit mijn gelukzaligheid ontvang je overvloedig en bovenmatig de enkelvoudige instroom van mijn gelukzaligheid door het verliefde en handelende opwellen, als antwoord van mijn excessief excessieve liefde voor jou, met jou en in jou, naar de mate van en voldoende voor wat je bent, wat je hebt en wat je bezit. Dit is voor mij en in mij, voor jouw volkomen en volledige verzadiging, tot je de Libanon bestijgt (Hl, 4,8) en tot mij komt in mij, die die jouw Bruidegom ben, van enkelvoudige liefde tot enkelvoudige rust. Dan zul je gekroond worden met de overvloed van mijn gelukzalige instroom, die al het geschapene vervult van mijn heerlijkheid en van mijn essentiële licht, om heerlijk te genieten van mij, zuiver en volledig, in de algehele omvorming van mijn liefde en van mijn genot in jou. Dan zul je gelukzalig zijn door mij en in mij, door wat ik ben en in wat ik ben, in de volheid van genot in mijzelf en voor mijzelf. En als je in het verleden, dat nog heden is, door mij en in mij zo gelukkig geweest bent dat je zo vaak in de kracht van onze gemeenschappelijke liefde jouw honingraat met honing gegeten hebt (je begrijpt me goed!), zul je me hier, in deze huidige staat, bezitten zonder tijd of eeuwigheid, in de volle en algehele verzadiging en gelukzaligheid van mijzelf, waarin en waardoor ik je zal omvormen in mij, in voltooiing van heerlijkheid en van serafijnse liefde, naar de maat van het verlangen van mijn eeuwige, buitensporige liefde voor jou, waarin jij mij zult zijn in mij, voltooid in jezelf in gelijkenis aan mij, boven mijn gelijkenis. (...)
Het zien en de ervaringskennis die je nu al hebt en die je er zeer volkomen van zult hebben in jouw onbeweeglijk bestaan in mijzelf, genietend van wat ik ben en van wat ik bezit, en jij ook genietend van wat jij bent, van wat jij hebt en van wat jij bezit en zuiver en volledig zult bezitten, zullen je overmatig en geheel en al vervullen van mijn geluk, van mijn gelukzaligheid en van mijn godheid, in jouw eigen zijn, dat helemaal omgevormd is in de bovenessentiële verhevenheid van wat van mij is. Je zult geheel en al verrukt zijn, geheel vervuld en ondergedompeld in de gelijkenis met mijzelf, boven mijn gelijkenis.
Zo zie je, mijn dochter, hoe en waarin het genot dat je van mij en in mij zult hebben in het wederzijdse genot dat ik van jou en in jou zal hebben, verschilt en verwijderd is van zijn staat van bovenmatige verhevenheid die wij, de een door de ander en de een in de ander, in dit leven en in jouw sterfelijkheid reeds hebben en bezitten. (...)
Je zult uitgaan zonder uit mijn goddelijkheid uit te gaan, of beter, uit onze goddelijkheid, om me te zien en mijzelf te beschouwen in mijzelf, naar de maat en proportie van jouw bovenessentiële bestaan dat je door jezelf en in jezelf bezit, in de liefde en in de vervulde heerlijkheid door mijzelf, waarvan, waarin en waardoor je op de allerhoogste wijze verenigd zult zijn met je allerhoogste centrum. (...) Zo zul je, waar je ook gaat en waarheen je ook uitgaat, nooit zonder mij en mijn heerlijkheid zijn. Door uit te gaan zonder uit te gaan, zul je in mij terugkeren in het genot zelf van mijzelf en van mijn heerlijkheid, van waaruit je nooit zult zijn uitgegaan. (...) Je ziet mij naakt en helemaal en je bezit me naakt en helemaal. Wat zou ik nog meer voor je kunnen doen en wat zou ik je beter kunnen tonen dan mijzelf in heel mijzelf, in heel de volheid en de uitgestrektheid van mijzelf, waardoor jij op de allerhoogste wijze verloren bent en helemaal uitgerekt? Jij bent mijzelf in mijzelf en je bezit mijzelf in mijzelf. (...)
Jij, o mijn dochter, al wat ik van binnen en van buiten ben, toont mij dat ik je voor altijd verrukt heb, evenzeer door wat ik ben als door wat ik gedaan heb en wat ik zelf doe in mezelf voor ons gemeenschappelijk goed, voor ons gemeenschappelijk genot en onze gemeenschappelijke rust in onze ene liefde, die door de kracht van onze gemeenschappelijke overstromingen ons beiden één maakt in het Ene van ons beiden. Daarom ben jij mijn dochter en mijn welbeminde bruid, waarin ik eeuwig welbehagen heb. Kom, mijn dochter, kom, mijn bruid, kom van de Libanon (Hl. 4,8), kom, je zult worden gekroond.