Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Madame Guyon (1648-1717)  
  Madame Guyon (1648-1717)  

Op zestienjarige leeftijd werd Jeanne-Marie Bouvier de la Motte min of meer tegen haar wil uitgehuwelijkt. Zij ging verder door het leven als Madame Guyon. Haar huwelijk was ongelukkig. Haar echtgenoot en haar schoonmoeder verzetten tegen haar zeer vrome leven. Op haar achtentwintigste werd zij weduwe. Van haar vijf kinderen stierven er twee op jeugdige leeftijd.
Toen zij negentien was, leerde zij het inwendig gebed kennen door een biechtvader die haar erop wees dat zij God buiten zich zocht, terwijl hij in haar innerlijk te vinden is. In korte tijd bereikte zij een grote intimiteit met God. Jaren later kwam zij in een zeer grote innerlijke dorheid terecht. Toen die na zeven jaar optrok, bleek dat de vereniging van haar ziel met God zich voltrokken had. In haar autobiografie beschreef zij hoe de vereniging overging in eenheid.
Al in 1685 had zij in een dun boekje, met de lange titel Moyen court très facile pour l'oraison que tous peuvent pratiquer très aisément et parvenir en peu de temps à une haute perfection (Kort en erg gemakkelijk middel voor het gebed, dat allen heel gemakkelijk kunnen beoefenen en in korte tijd tot een hoge volmaaktheid komen), haar visie op de geestelijke weg uiteengezet. In vrome kringen werd het zeer gewaardeerd. Omdat zij veel nadruk legde op de passiviteit van de ziel, kwam zij aan het eind van de negentiger jaren onder verdenking van quiëtisme te staan, wat recentelijk veroordeeld was. Ondanks vele nuanceringen, aanvullingen en verklaringen van rechtgelovigheid die zij aflegde, werd zij na veel touwtrekkerij tussen bisschoppen in 1695 veroordeeld en gevangen gezet.
Pas in 1702 werd zij vrijgelaten. De laatste fase van haar leven verliep rustig. In een bescheiden woning ontving zij haar leerlingen. Haar vele geschriften werden gepubliceerd door een Nederlandse uitgever en in Nederland, Duitsland, Zwitserland en Engeland, waar in de protestantse milieus het geestelijk klimaat nog wel open stond voor de mystiek, veel gelezen. Pas enkele decennia geleden zijn haar twee belangrijkste werken opnieuw in het Frans uitgegeven.
In de geschiedenis van de spiritualiteit wordt haar veroordeling algemeen beschouwd als onnodig en gênant, als een gevolg van een star en koppig vasthouden aan de rationaliteit van de Verlichting, die in die tijd haar schaduw al vooruit wierp. Ongetwijfeld speelde ook mee dat zij een vrouw was die sprak met gezag. Omdat haar leefwijze onberispelijk was, werd in haar geschriften iets gezocht dat veroordeeld kon worden. Zo werkte de kerk zelf de verschraling van de achttiende en negentiende eeuw in de hand.

Om Jezus Christus te volgen is het noodzakelijk te verzaken aan zichzelf en aan de eigen werkzaamheid. Want wij kunnen Jezus Christus in het geheel niet volgen als wij niet bezield zijn door zijn Geest. Opdat de Geest van Jezus Christus in ons komt, is het echter noodzakelijk dat de onze voor Hem plaats maakt. Paulus zegt: 'Wie zich aan de Heer hecht, wordt één zelfde Geest met Hem (1 Kor. 6,17). En David zei dat het voor hem goed was 'zich aan God te hechten en al zijn hoop op Hem te stellen' (Psalm 73,28). Wat is deze hechting? Het is een begin van vereniging.
De vereniging begint, duurt voort, wordt volledig en wordt voltrokken. Het begin van de vereniging is een neiging. Terwijl de ziel in zichzelf gekeerd is, is zij naar haar centrum geneigd en heeft zij een sterke tendens naar de vereniging. Deze tendens is het begin. Vervolgens hecht zij zich, terwijl zij God meer nadert. Dan wordt zij met Hem verenigd. En vervolgens wordt zij één, dat is één zelfde geest met Hem worden. Dan keert die Geest, die van God is uitgegaan, terug naar haar bestemming.

Het is onmogelijk de goddelijke vereniging te bereiken alleen door middel van meditatie. Dit om meerdere redenen, waarvan ik er enkele zal noemen.
Volgens de Schrift zal geen levend mens God zien (Ex. 33,20). Elke beoefening van de overweging of zelfs van de actieve beschouwing, die opgevat worden als een doel en niet als een passieve houding, zijn levende oefeningen waardoor wij God niet kunnen zien, dat wil zeggen, niet met Hem verenigd kunnen worden. Het is noodzakelijk dat de mens en zijn eigen handelen, hoe edel en verheven zij ook mogen zijn, sterven.
De heilige Johannes vermeldt dat in de hemel een grote stilte viel (Openb. 8,1). De hemel staat voor de grond en het centrum van de ziel, waar alles stil moet zijn als de majesteit van God daar verschijnt. Al het eigen handelen en alle eigendom moet dan vernietigd zijn. (...)
Alleen God kan twee dingen verenigen die zozeer tegengesteld zijn als de zuiverheid van God en de onzuiverheid van het schepsel, de enkelvoudigheid van God en de veelvoudigheid van de mens. Dit kan nooit geschieden door de inspanning van het schepsel, want twee dingen kunnen niet verenigd worden als zij geen overeenkomst en gelijkenis hebben. Een onzuiver metaal zal nooit samengaan met zuiver en verfijnd goud.
Wat doet God dus? Hij zendt zijn eigen wijsheid voor zich uit, zoals het vuur naar de aarde wordt gezonden om door zijn activiteit al wat onzuiver is te verteren. Het vuur verteert alle dingen en het verteert wat het probeert te weerstaan. Zo is het ook met de wijsheid. Zij verteert elke onzuiverheid in het schepsel om haar voor te bereiden op de goddelijke vereniging.
De onzuiverheid die zo tegengesteld is aan de vereniging is het eigendom en het eigen handelen. Het eigendom omdat zij de bron is van reële onzuiverheid, die nooit samengebracht kan worden met de essentiële zuiverheid, zoals stralen wel de modder kunnen raken, maar zich er niet mee kunnen verenigen. Het eigen handelen omdat God in een oneindige rust is. Om met Hem verenigd te kunnen worden moet de ziel daarom deelnemen aan zijn rust. Zonder die rust kan er geen eenheid zijn, vanwege de ongelijkheid. Want om twee dingen te verenigen moeten zij in een evenredige rust zijn. Daarom komt de ziel alleen tot de goddelijke vereniging door de rust van haar wil. Zij kan alleen met God verenigd worden als zij in een centrale rust is en in de zuiverheid van haar schepping.
Zoals een vuur het goud zuivert, zo bedient God zich van de wijsheid om de ziel te reinigen. Het is zeker dat het goud niet kan worden gereinigd dan door het vuur dat beetje bij beetje al het aardse en materiële verteert en dit scheidt van het goud. Het is voor het goud niet voldoende dat de aarde veranderd wordt in goud. Het is ook nodig dat het vuur het goud smelt en oplost, om alles uit haar substantie te trekken wat er aan vreemde en aardse elementen is overgebleven. (...)
Om de mens met zijn God te verenigen is het noodzakelijk dat zijn Wijsheid, vergezeld van de goddelijke Gerechtigheid, als een meedogenloos en verterend vuur alles van de ziel wegneemt wat zij heeft aan eigendom, aan aardse en vleselijke elementen en aan activiteit, om zich dan met de ziel te verenigen. (...)
God reinigt deze ziel dus zozeer van alle eigen, onderscheiden, waargenomen en veelvormige handelingen, die een zeer grote ongelijkheid zijn, opdat God en de ziel beetje bij beetje gelijkvormig en uiteindelijk eenvormig worden. Zo openbaart God het passieve vermogen van het schepsel en vergroot en veredelt dit, op een verborgen wijze en ongekend. Daarom noemt men dit mystiek. Het is noodzakelijk dat de ziel in dit alles slechts passief werkt.
Het is waar dat zij om tot hier te komen in het begin meer handelt. Naarmate de werkzaamheid van God sterker wordt, moet de ziel beetje bij beetje en steeds meer voor Hem plaats maken, tot Hij alles in zich opneemt. Dit duurt echter lange tijd. (...)
Iedereen weet dat God het allerhoogste Goed is, dat de wezenlijke gelukzaligheid bestaat uit de vereniging met God, dat de heiligen groter zijn naarmate deze vereniging volmaakter is en dat deze vereniging niet in de ziel tot stand kan komen door enige eigen activiteit, want God deelt zich alleen aan de ziel mee als haar passieve ontvankelijkheid groot, edel en uitgestrekt is. De mens kan niet met God verenigd zijn zonder passiviteit en eenvoud. Omdat die vereniging de gelukzaligheid zelf is, kan de weg die ons in die passiviteit leidt niet slecht zijn. Integendeel, hij is de beste van alle wegen.

Zodra de ziel gestorven is, is zij gestorven aan de waarheid in de kus van de Heer. Daarom is zij waarlijk met Hem verenigd en verenigd zonder midden, want door alles te verliezen, zelfs de beste dingen, heeft zij de middelen en het tegenover (het entre-deux van de ziel en God), die bestonden in die beste dingen, verloren. Die goede dingen waren het tegenover zelf. Vanaf dat moment is zij ogenblikkelijk met God verenigd. Maar zij kent en geniet de vruchten van haar vereniging pas wanneer Hij haar bezielt en haar levend beginsel wordt. Zoals een bruid, die verdwenen is in de armen van haar bruidegom, met Hem verenigd is ook al smaakt zij het geluk van die vereniging niet en kent zij dat zelfs vaak niet eens. Maar nadat de bruidegom gezien heeft dat zij bezwijmd is door de overvloed van haar liefde, doet Hij haar na enige tijd terugkeren door zijn zoete strelingen. Dan weet zij dat zij Hem bezit die zij bemint en dat zij door Hem wordt bezeten.
De ziel die zo door God wordt bezeten, ondervindt meer en meer dat Hij zozeer haar Heer is, dat zij niets anders meer kan doen, dan wat Hem behaagt en zoals het Hem behaagt. Haar onmacht ontrieft Hem niet. Zij is Hem aangenaam, want zij is vol leven en vol kracht van de goddelijke wil.
De gestorven ziel is dus verenigd, maar zij geniet de vrucht van haar vereniging pas op het moment van haar opstanding, wanneer God haar in zich doet overgaan en haar het waarachtige loon geeft en de zekerheden van het voltrekken van het goddelijk huwelijk tussen God en haar, waaraan zij niet kan twijfelen. Omdat die onmiddellijke vereniging zo spiritueel, delicaat, goddelijk en intiem is, is het onmogelijk dat de ziel zich die in zou kunnen beelden of eraan zou kunnen twijfelen. (...)
In de mate waarin God de ziel opwekt, dat wil zeggen haar in zich ontvangt en deze levende kiem, die geen andere is dan het Leven van de Geest van het Woord, begint te verschijnen en zich te manifesteren, is dit het openbaar worden van Jezus Christus (Gal. 1,16), die in ons leeft door het verlies van het leven van Adam, dat bestaat als het eigendom.
Zij is dus ontvangen in God. Nadat zij ontvangen is, wordt zij beetje bij beetje veranderd en in Hem omgevormd, zoals het voedsel wordt veranderd in wie het tot zich neemt. Dit neemt niet weg dat het zijn van het schepsel altijd blijft voortbestaan, zoals dat elders verklaard is.
Zodra de omvorming begint, wordt dat vernietiging genoemd, want in de mate waarin men van vorm verandert, vernietigt men de eigen vorm, om de vorm aan te nemen van degene die ons in Hem verandert. Dit duurt heel het leven. De ziel wordt meer en meer in God wordt omgevormd. Hoe meer God haar in zich verandert, hoe meer zij deelneemt aan zijn goddelijke eigenschappen. Dit is wat God doet door haar in Hem onbeweeglijk, ongevoelig enzovoort te maken. Maar ook maakt Hij haar vruchtbaar in Hemzelf en niet buiten Hem. (...)
Beetje bij beetje groeit dit leven en strekt het zich uit in haar vermogens en haar zintuigen en verwijdt hen naar de mate waarin het zich aan hen meedeelt. Zo worden de vermogens en de zintuigen, die voorheen steriel en onvruchtbaar waren, actief gemaakt, maar van een goddelijke activiteit, zoals God hen bezielt en over hen beschikt naar zijn bedoeling.

Zo lang de ziel niet geheel verenigd is met haar God met een vereniging die ik blijvend noem, om haar te onderscheiden van voorbijgaande verenigingen, voelt zij nog haar neiging naar God. In tegenstelling tot wat weinig verlichte personen denken is de onstuimigheid van deze neiging niet een volmaaktheid. Zij is een gebrek aan volmaaktheid en geeft de afstand tussen God en de ziel aan. Maar wanneer God zich zozeer met de ziel verenigd heeft dat Hij haar in zich ontvangen heeft, daar waar Hij haar verborgen houdt met Jezus Christus (Kol. 3,3), dan vindt de ziel daar een rust die elke neiging uitsluit en die alleen de ervaring kan doen begrijpen. Het is niet een rust als het smaken van vrede in de zachtheid en zoetheid van een ervaren aanwezigheid van God, maar het is een rust in God zult, die deelneemt aan zijn onmetelijkheid, zozeer is zij uitgestrekt, eenvoudig en zuiver. (...)
In die staat zijn de geest en de wil zo zuiver en eenvoudig, dat God hen de kleur en de smaak geeft die Hem behaagt.