Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Marguerite Porete (+1310)  
  Margarethe Porete (+1310)  

In het begijnenmilieu van Henegouwen, niet ver van de huidige Frans-Belgisch-Duitse grens, circuleerde aan het eind van de dertiende eeuw een vrijmoedig geschrift, Le miroir des âmes simples et anéantis (De spiegel van de eenvoudige en tot niets geworden zielen). Lange tijd was de auteur onbekend, tot in de jaren zestig van de vorige eeuw ontdekt werd dat de stellingen waarop de begijn Marguerite Porete in 1310 veroordeeld en verbrand is, letterlijk in de Miroir staan. Zij had geweigerd deze te herroepen, omdat zij overtuigd was van hun waarheid.
Qua opbouw vertoont de Miroir verwantschap met de mysteriespelen, die recentelijk in zwang waren gekomen. Liefde, Rede, de Ziel, de Deugden, Geloof, de Heilige Geest en vele anderen worden als allegorische personages opgevoerd. Zij spreken over wat de eenvoudige zielen ten deel valt als zij zich van alles leeg maken en tot niets worden. Rede vraagt keer op keer om een uitleg in begrijpelijke begrippen, maar blijkt zichzelf niet te kunnen overstijgen. De Deugden protesteren omdat zij tegenover Liefde in het niet vallen. Hun tegenwerpingen worden vooral beantwoord door Liefde zelf, die de hoofdpersoon is, want zij is God en God is Liefde. Tegen het eind van het boek neemt de Ziel meer en meer het woord en getuigt van wat haar is overkomen. In een aantal langere passages geeft ook de auteur zelf haar commentaar.
Hier en daar verwijst de Miroir naar zeven staten, die echter niet logisch of chronologisch worden beschreven.

Pas in het 118e hoofdstuk worden zij geëxpliciteerd:
   -  het onderhouden van de geboden
   -   deugdzaam leven
   -   liefdesverlangen
   -   intensivering van liefde in meditatie en contemplatie
   -   de geest sterft; de ziel realiseert zich dat God is en dat zij zelf niets is
   -   verlichting, goddelijke kennis
   -   God zien en smaken, na dit leven.

De zevende staat behoort niet tot dit leven. In de vijfde en zesde is de ziel tot niets geworden. Deze drie ressorteren onder de liefde, de eerste vier onder het verstand. Zij die daar verblijven zijn nog verloren en afgedwaald, want zij zijn nog niet tot niets geworden. Af en toe ontvangen zij goede raad van Liefde.
In de Miroir is het onrustige liefdesverlangen van de bruidsmystiek vrijwel afwezig. Het perspectief is dat van de tot niets geworden ziel, wat aan dit geschrift een soeverein karakter verleent. De ziel die tot niets is geworden, heeft de staat waarin het nodig is zich toe te leggen op de deugden ver overschreden. Zij hoeft hen niet meer te beoefenen omdat ze hen al bezit. Een zelfde vrijmoedige positie neemt de ziel in ten opzichte van de zonde. Tegenover God ziet zij haar nietsheid en haar zondigheid, maar ook ziet zij dat in God de zonde niets is.
Vermoedelijk werd de Miroir in besloten kring voorgedragen en waren de hoorders vertrouwd met de gedachtegang. Daarbuiten kon de relativering van de deugden en van de zonde gemakkelijk verkeerd verstaan worden. De losbandigheid waarvan de kerk de beweging van de Vrije Geest beschuldigde, schijnt echter sterk overdreven te zijn - zie bijvoorbeeld G. Leff, Heresy in the Later Middle Ages.
Een tweede gevoelige thema voor de hiërarchie was het onderscheid tussen de Kleine Kerk, geregeerd door de Rede, waarin het gaat om uiterlijkheden en verstandelijke redeneringen, en de Grote Kerk, geregeerd door de Liefde, waarin het gaat om de Liefde. De laatste staat boven de eerste. De zielen die tot de Grote Kerk behoren, hebben geen behoefte meer aan vrome oefeningen en sacramenten. Voor hen geldt het woord van Augustinus: bemin en doe wat je wilt.

Hoofdstuk 7. Op welke wijze deze ziel edel is en hoe zij met niets rekening houdt
Liefde: Deze ziel houdt rekening met schande noch eer, armoede noch rijkdom, gemak noch ongemak, liefde noch haat, hel noch paradijs.
Rede: In Godsnaam, wat heeft dat te betekenen, wat u daar zegt?
Liefde: Wat dat wil zeggen? Zeker, zij weet het, en geen ander, aan wie God het begrip heeft gegeven, want de Bijbel bevat het niet, de menselijke wijsheid begrijpt het niet en het werk van een schepsel stelt niet in staat het te verstaan of te begrijpen. Deze gave komt veeleer van de Zeer-Hoge, in wie dit schepsel is weggerukt door de overvloed van kennis, zodat in haar eigen verstaan niets overblijft. Tot niets geworden bezit deze ziel dan alles en toch bezit zij niets. Zij wil alles en wil niets. Zij kent alles en kent niets.
Rede: Maar, Sire Liefde, misschien wil deze ziel dat wat dit boek zegt, terwijl dit boek eerder zei dat zij helemaal geen wil heeft?
Liefde: Rede, het is niet haar wil die het wil, het is veeleer de wil van God die het in haar wil. Want het is niet dat deze ziel in Liefde verblijft, en dat de Liefde haar dit laat willen door een of ander verlangen. Het is veeleer Liefde, die in haar verblijft, die haar wil heeft overgenomen en daarom door haar haar wil doet. Liefde werkt in haar zonder dat zij zelf iets doet.
Deze ziel kan niet meer over God spreken, want zij is tot niets geworden in al haar externe verlangens, in haar innerlijke wijze van voelen en in elke genegenheid van de geest, in de mate waarin zij doet wat zij doet vanuit een goede gewoonte of door een gebod van de Heilige Kerk, zonder enig verlangen, want de wil die haar het verlangen gaf, is gestorven.

Hoofdstuk 21. Liefde antwoordt op het verwijt van Rede over wat dit boek zegt, dat deze zielen afscheid nemen van de deugden
Rede: Liefde, nu stel ik u nog een vraag. Dit boek zegt dat de ziel in al wat zij doet afscheid neemt van de Deugden, terwijl u ook zegt dat de Deugden altijd met deze zielen zijn, volkomen, meer dan met enige andere ziel. Het lijkt mij dat deze twee uitspraken tegenstrijdig zijn. Ik kan ze niet begrijpen.
Liefde: Ik zal u hieromtrent geruststellen. Het is waar dat deze ziel afscheid van de Deugden heeft genomen wat hun beoefening betreft en het verlangen dat zij van haar vragen. Maar de Deugden hebben geen afscheid van haar genomen, want zij zijn altijd met haar en gehoorzamen haar volkomen. Volgens deze verstaanswijze neemt de ziel afscheid van hen en zijn zij toch altijd bij haar.
Als een man een meester dient, behoort hij toe aan wie hij dient. Zijn meester behoort hem echter niet toe. Toch gebeurt het soms dat de dienaar zoveel verwerft en leert bij zijn meester, dat hij rijker en wijzer wordt dan hij, zozeer dat hij hem verlaat om een betere te vinden. En als degene die zijn meester was, ziet dat zijn knecht meer heeft en meer weet dan hij, blijft hij bij hem om hem in alles te gehoorzamen. Zo kunt u en moet u begrijpen wat gezegd is over de Deugden en deze zielen. Inderdaad, in het begin doet deze ziel alles wat Rede haar leert, wat dit haar innerlijk of lichamelijk ook kost. Rede is haar meesteres en Rede zegt haar altijd te doen wat de Deugden willen, zonder tegen te spreken, tot in de dood. Rede en de andere Deugden waren de meesteressen van deze ziel en deze ziel was waarlijk gehoorzaam aan al wat zij zouden willen gebieden, want zij wilde een geestelijk leven leiden. Op deze wijze heeft deze ziel met de Deugden zo veel verworven en geleerd, dat zij nu boven hen staat. In zichzelf heeft zij al wat de Deugden kunnen leren en nog meer, zonder vergelijking, want deze ziel bezit de meester van de Deugden in zichzelf, die goddelijke Liefde wordt genoemd, die haar geheel in zich heeft omgevormd en met zich verenigd, zo zeer dat zij noch aan zichzelf, noch aan de Deugden toebehoort.
Rede: En aan wie behoort zij dan toe?
Liefde: Aan mijn wil, die haar in mij heeft omgevormd.
Rede: Maar wie bent u, Liefde? Bent u niet één van de Deugden, net als wij, al geven wij toe dat u boven ons bent?
Liefde: Ik ben God, want Liefde is God en God is Liefde, en deze ziel is God door de liefde. Ik ben God door mijn aard en deze ziel is het door de gerechtigheid van de liefde, zodat mijn tedere welbeminde door mij onderricht en geleid wordt zonder haarzelf, want zij is omgevormd in mij.

Hoofdstuk 25. Rede vraagt aan Liefde of deze zielen enige vreugde in zichzelf ervaren
Rede: Maar zeg mij, Liefde: ervaren deze zielen enige liefde in zichzelf of buiten zichzelf?
Liefde: Ik antwoord nee op uw vraag. Hun natuur is gedood en hun geest is gestorven, want al het willen heeft zich van haar afgescheiden. Daarom leeft zij, blijft zij en is zij in de goddelijke wil, dankzij dit sterven.
Rede, luister nu, om beter te begrijpen wat u gevraagd hebt! Wie brandt, heeft het niet koud. Wie verdrinkt, heeft geen dorst. Welnu, deze ziel brandt zozeer in het fornuis van het liefdesvuur, dat zij vuur is geworden, zozeer dat zij het vuur niet voelt, want zij is vuur in haarzelf door de kracht van Liefde die haar omgevormd heeft in liefdesvuur. Dit vuur gaat van de Liefde uit en brandt door de Liefde, op alle plaatsen en op alle tijden, zonder iets te verteren. Het kan niets anders willen verteren dan wat uit haarzelf voortkomt. Want wie God ervaart dankzij een wijze van zien of verstaan buiten zichzelf, of door zijn eigen inspanning, is niet helemaal vuur, want er is iets brandbaars vermengd met dit vuur. De inspanning van de mens, het feit iets te willen hebben buiten zichzelf, opdat in zichzelf de liefde tot God toeneemt, is een verblinding van de kennis van Gods goedheid. Wie echter van dit vuur brandt zonder iets brandbaars te zoeken, zonder dit te hebben en zonder het te willen hebben, zo iemand ziet helder in alle dingen. Hij schat ze op hun juiste waarde. Die ziel heeft niets in zichzelf dat haar verhindert helder te zien, want zij is alleen in zichzelf, door de deugd van een waarachtige nederigheid. Hierdoor staat zij voor iedereen open, door de wijdsheid van de volmaakte naastenliefde en is zij tegelijkertijd alleen in God, door het goddelijk handelen van Tedere Liefde.

Hoofdstuk 26. Hoe deze ziel van niets houdt behalve omwille van Gods liefde
Liefde: Hoe nobel zij ook is, deze ziel bemint niets en zal niets in God beminnen dan alleen om God en omdat Hij het wil. Ook zal zij God liefhebben in alle dingen en alle dingen om de liefde tot Hem. En door die liefde is deze ziel uitsluitend in de zuivere liefde van de liefde van God. Haar kennis is zo helder, dat zij zichzelf vernietigd ziet in God en God vernietigd ziet in zich.
Edele minnaars, begrijp nu door liefdesoverweging wat er te begrijpen overblijft, zonder te luisteren naar een schepsel, door die overweging die de ziel ontleent aan de Liefde, zonder enige gave te willen die men vertroostingen noemt en die de ziel versterken door haar de zoetheid van het gebed te laten voelen. Dit leert de liefde haar en geen andere oefening leert haar dit dan de zuivere liefde. Wie echter kracht wil ontvangen van God door enige vertroosting te voelen, hindert de werking van Hoofse Liefde.

Hoofdstuk 28 Hoe deze ziel zwemt in een oceaan van liefde
Liefde: Deze ziel zwemt in een oceaan van vreugde, dat wil zeggen in een oceaan van geneugten, die ontspringen aan de Godheid en uit haar stromen. Daarom voelt zij geen enkele vreugde, want zij is vreugde zelf en zo zwemt zij en stroomt zij uit in vreugde zonder vreugde te vinden, want zij verblijft in Vreugde en Vreugde verblijft in haar. Zij is vreugde zelf door de kracht van Vreugde die haar heeft omgevormd in zichzelf. Minnaar en beminde hebben nog slechts één gemeenschappelijke wil. Zij zijn als het vuur en de vlam, want Liefde heeft deze ziel omgevormd in zichzelf.
De ziel: Ja, erg zoete, zuivere en goddelijke Liefde, wat een zoete omvorming is het omgevormd te zijn in wat ik meer bemin dan mezelf! Ik ben zó omgevormd dat ik mijn naam verloren heb om te beminnen, ik, die zo weinig kan beminnen. Ik ben omgevormd in Liefde, want ik bemin niemand anders dan Liefde.