Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Maria Magdalena de' Pazzi (1566-1607)  
  Maria Magdalena de' Pazzi (1566-1607)  

Op zestienjarige leeftijd werd Maria Magdalena Karmelietes in haar geboorteplaats Florence. Haar mystieke ervaringen en extases beleefde zij op extraverte wijze.

 
Naast de voortdurende vurigheid die haar hart deed smelten, haar onophoudelijk aan God liet denken, over God liet spreken, voor God deed werken, en haar vaak buiten haar zinnen bracht en geheel in God plaatste, kwam zij soms in een zo grote gloed, dat deze niet meer in haar borst ingesloten kon blijven, maar zich uitgoot over haar gezicht en in haar doen en doorbrak in haar woorden. Terwijl zij gewoonlijk door de boetedoeningen zwak, broos, bleek en vermagerd was, werd zij in alle opzichten sterker wanneer zij door deze vlammen van liefde verrast werd. Haar aangezicht werd vol en gloeiend, haar ogen als twee glanzende sterren en haar blik opgewekt en blij als van een zalige engel. Zij vond geen rust, geen blijven. Om deze gloed, die zij niet in zich kon houden, uit te storten, was zij gedwongen zich op een wonderlijke manier te bewegen. Daarom zag men haar tijdens deze uitbraken snel heen en weer lopen. Als razend van liefde liep zij door het klooster en riep met luide stem: 'Liefde, liefde, liefde.' Omdat zij zo'n grote liefdesbrand niet verdragen kon, sprak zij: 'O mijn Heer, niet meer liefde, niet meer liefde.' ... Tot de zusters die haar volgden zei zij: 'Dierbare zusters, jullie weten niet dat mijn Jezus niets anders is dan liefde, ja, dwaas van liefde. Dwaas van liefde, zeg ik, bent u, mijn Jezus. Steeds zal ik dit zeggen. U bent helemaal lieflijk en vreugdevol, u verkwikt en troost, u voedt en verenigt, u bent pijn en verkoeling, moeite en rust, dood en leven inéén. Wat is er in u niet? U bent wijs en overmoedig, verheven en mateloos, wonderlijk en onzegbaar.'

Op andere momenten brandde zij van verlangen dat deze liefhebbende God door de mensen gekend en vereerd zou worden. Ten hemel gewend sprak zij: 'O liefde, o liefde! Geef mij een zo sterke stem, o mijn Heer, dat wanneer zij u liefde noemt, zij gehoord wordt van het Oosten tot het Westen en door alle werelddelen, tot in de hel, opdat u gekend en vereerd wordt als de ware liefde. O liefde, u doordringt en doorboort, u slaat neer en verbindt, u regeert alle dingen, u bent hemel en aarde, vuur en lucht, bloed en water: u bent God en mens.'

Zij ontdeed een beeld van het Jezuskind van zijn sieraden en sprak: 'Ik wil u naakt, o mijn Jezus, want in de oneindigheid van uw deugden en volkomenheden zou ik u niet kunnen verdragen. Ik wil uw naakte, naakte mensheid.'

Uit haar mededelingen
Ik zag dat Jezus zich met zijn bruid in de nauwste vereniging verenigde, zijn hoofd op het hoofd van zijn bruid legde, zijn ogen op de hare, zijn mond, zijn handen, zijn voeten, al zijn ledematen op de hare, zodat de bruid één ding met hem werd en alles wilde wat de Bruidegom wilde, alles zag wat de Bruidegom zag, alles smaakte wat de Bruidegom smaakte. God wil niets anders dan dat de ziel zich met hem op deze wijze verenigt en Hij geheel met haar verenigd is. Als de ziel haar hoofd tegen het hoofd van Jezus heeft, kan zij niets anders willen dan zich met God te verenigen en dat God zich met haar verenigt. God ziet zichzelf geheel in zichzelf en uit zichzelf alleen is Hij tot zichzelf in staat. Hij ziet zichzelf in alle schepselen, ook in hen die geen gewaarwording hebben, door de kracht waarmee Hij hen het zijn geeft en hen laat werken en vruchtbaar maakt. Omdat zij haar ogen op die van Jezus heeft, ziet de ziel daarom zichzelf in God en God in alle dingen.

Na de allerheiligste communie beschouwde ik de grote vereniging van de ziel met God door het sacrament. In een ogenblik merkte ik dat ik helemaal met God verenigd was, helemaal in God veranderd en buiten alle lichamelijke gewaarwording, zodat ik, als men mij in een vuuroven gegooid had en verbrand, ik niets gemerkt zou hebben. Ik wist niet of ik dood levend was, in het lichaam of in de ziel, op aarde of in de hemel. Ik zag alleen heel de glorierijke God in zichzelf, zichzelf alleen maar liefhebben, zichzelf oneindig kennen, alle geschapen dingen in alleen maar oneindige liefde omvangen, een eenheid in drieën, een ongedeelde Drievuldigheid, een God grenzeloos in liefde, geheel verheven in goedheid, onbevattelijk en onnaspeurbaar. Toen ik daarom met Hem was, vond ik niets meer van mijzelf. Ik zag alleen dat ik in God ben, maar mijzelf zag ik niet, slechts God alleen.
 
Uit: M. Buber, Extatische getuigenissen.