Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Maria Petyt (1623-1677)  
  Maria Petyt (1623-1677)  

Omdat Maria Petyt (1623-1677) slechte ogen had, werd ze niet in het klooster waar ze wilde intreden geaccepteerd. Ze werd een soort begijn in een huisje bij de karmelietenkerk in Gent. Een vooraanstaand karmeliet, p. Michael a S. Augustino, werd haar geestelijk leider. Op zijn verzoek schreef ze haar biografie, in haar brieven ging ze in op zijn vele vragen.

Ik zou niemand kunnen uitleggen en laten inzien wat de Beminde mij heeft laten smaken: dat innemen van de ziel in God; de ontgeestingen en halve opgetogenheden in Hem; hoe mijn geest de goddelijke Geest ontmoet en de ene in de andere wordt ingenomen, verloren, verslonden en met elkaar verenigd; hoe ik bijna voortdurend ondervind dat mijn geest, mijn vermogens en zintuigen ervaren vol te zijn en doordrenkt van God, veel meer dan een spons van water; hoe mijn geest vóór God staat, verheven en open in zo'n grote zuiverheid en onvermengdheid, zoals een heldere, subtiele en bovenzuivere lucht open staat voor de zon, geschikt om er zonder beletsel door doorstraald te worden, zijn warmte en indrukkingen te ontvangen, en als één licht met Hem te worden.

Over uw tweede vraag, hoe onze vereniging met God plaatsvindt door de dag, buiten het gebed, dat is, dunkt mij, een samenkomen van de ziel met haar Beminde, een zeer nauw aankleven aan het eeuwige, het ongeschapen en opperste Goed, met een vaste band van liefde, zodat de ziel dan al haar werken doet met God en God in haar.
Het lijkt mij dat de ziel dan op de een of andere manier ingenomen is in God en in Hem gedrukt, maar niet zo volkomen als tijdens het gebed. Maar ook hier geniet de geest de tegenwoordigheid van God onbemiddeld, doordat de inwendige en de lichamelijke indrukken niet in de geest komen, maar in de onderste vermogens blijven, zodat de geest daar niet op reageert. Zo vormen zij geen middel tussen de geest en God. Zo'n staat van vereniging en genieting heb ik gewoonlijk buiten het gebed.

(Hij wil) mij trekken langs de weg van een inwendige, brandende liefde en van de zoete gemeenzaamheid en omgang met Hem. Heel stil werkt de brandende liefde in mij door vurige vlammen, die mij verteren en mij verenigen met mijn Beminde. Ik doe niets anders dan liefhebben, mijn hart en heel mijn innerlijk zijn voortdurend als een gloeiende kool. Dit minnevuur brandt voortdurend, zonder dat ik daar enig voedsel aan geef om het brandend te houden. De innerlijke tegenwoordigheid en het voortdurend aanschouwen van de Beminde geeft gedurig voedsel aan dit vuur, zodat het nooit uit gaat noch verflauwt. Dit minnevuur schijnt mij te verteren in mijn Beminde, zonder dat de lichamelijke krachten verminderd worden, omdat het een voedend vuur is, waardoor ook het lichaam versterkt en onderhouden lijkt te worden.

Alle voorwerpen en ontmoetingen van de uitwendige en de inwendige zintuigen moeten samengenomen en getrokken worden tot Gods eenheid, als één in Hem en als geheel één met God, en in God moeten zij aan mijn ziel verschijnen. Een straal van geloof die in mijn grond schijnt en de verenigende liefde die in mijn hart brandt en daar werkt, trekken alle dingen in deze grond en alle dingen worden daar vergoddelijkt en als in God veranderd, of in Hem verdronken, verniet en verloren.

In die beschouwing en genieting van dat onbegrijpelijk Wezen was ik met alle schepselen te niet geworden en verslonden in die ongemeten Zee. Mij dunkt dat dit een volmaakte vereniging van de ziel met God is. Als zo'n verhevenheid van de geest ontstaat, verstaat de ziel dat God zichzelf geheel aan haar geeft en niet slechts de een of andere mededeling van één van zijn eigenschappen, volmaaktheden en gaven, maar zichzelf geheel in haar indrukt en haar in Hem. Zo maakt Hij haar één met Hem.
In een dergelijk gebed vallen alle gelijkenissen weg en alle dingen verliezen hier hun naam. Want alle dingen worden hier één, en God. Niet verstaande verstaat de ziel bijvoorbeeld wat ze verstaat. Niet wetende beschouwt zij wat zij beschouwt. Zij geniet een goed, maar kan niet uitleggen wat dit goed is. Zij bemint en zij weet niet wat of hoe zij bemint en zo hangt zij dat hoogste en oneindige Goed aan in de allergrootste eenvoud en in een verslondenheid van kennis en liefde.

Metterdaad verstond ik dat het waar is wat Jezus in het evangelie zegt, 'Ik heb gezegd, jullie zijn goden en allemaal kinderen van de Allerhoogste', want voorwaar, al wie het opperste deel zo onvermengd, zuiver en helder hebben, zijn als goden, door de gelijkenis van dat deel met God. Een ziel die in zo'n zuiverheid van geest gesteld is, schijnt God te zijn, zonder dat daarin mededeling wordt gedaan van enig verschil. Zo'n ziel kent dan niet 'mijn' of 'ik', maar kent en wordt zichzelf gewaar als één met God en in God veranderd.

Soms is die inwendige en Godvormige mens zo verlicht door dat onuitsprekelijke Goed, dat hij in een zon veranderd schijnt te zijn. Het dunkt mij dat de geest dan als een onbevlekte en heldere spiegel is, die voor het goddelijk aanschijn staat en de stralen die uit het goddelijk aanschijn voortkomen ontvangt. Ook dunkt mij dat dit goddelijk, onvormige beeld zichzelf in die spiegel, in die zuivere geest, zonder middel indrukt, spiegelt en van nabij vertoont, zoals wanneer een spiegel die onmiddellijk tegenover de zon geplaatst wordt het beeld van de zon, zoals die staat aan het firmament van de hemel, ontvangt en weerkaatst.
Mij wordt te kennen gegeven dat de geest dan zo zuiver en zonder middel bij God is, zoals hij was toen hij uit God vloeide bij zijn schepping. Als de ziel dan uit deze wereld zou scheiden, zou zij recht naar de hemel vliegen zonder vagevuur. Ja, ik denk dat als de geest op deze manier staat voor het goddelijk aanschijn, hij dan iets bijzonders smaakt en geniet van de toekomstige glorie, want hij is dan heel glorieus, als overvormd in een goddelijke helderheid.

Hier werd ik heel en geheel één met God en zo volkomen één geest met God, dat iemand die mij zou hebben gezien, zou zeggen dat ik in God veranderd was geweest, dat ik er niet meer was, maar dat God er alleen was, doordat God mijn ziel geheel in Hem had getrokken en haar ingenomen en overvormd had. In deze staat van zo volmaakte vereniging met God zijn er in de ziel geen aanschouwingen of inlichtingen van enige waarheden en ook geen onderscheiden of ervaarbare werkingen van de liefde of van enig vermogen van de ziel. Zij is daar dan boven, in een over-schouwing, waar zij God zelf aanschouwt, kent, verheerlijkt, aanbidt en bemint. De ziel heeft dan de indruk dat al het andere er dan niet meer is, want zij is dan zo verniet in God, alsof zij er niet meer was. Maar de onbekende wondere dingen die hier dan om gaan tussen God en de ziel, wanneer dit innemen en overvormen plaatsvindt, die zijn onuitsprekelijk en onbegrijpelijk. Hier schiet het verstand tekort, de tong kan het niet uitspreken dan met deze donkere en besloten woorden, die ik daarna dikwijls herhaal, met een diepe verwondering en een minnelijk zuchten: o wonder! o groot wonder! o onbegrijpelijk wonder is dit! Tot wat een overgrote gemeenzaamheid, genieting en vereniging met God kan een ziel komen in dit leven! Voorwaar, een beginnende zaligheid. Dit verdrinken, verliezen, vernieten enzovoorts van de ziel in God gebeurt niet door een opneming van de geest of in een opgeheven worden, maar door een ontzinken binnen in mijn grond, in diepe innigheid en stilzwijgendheid van alle vermogens van de ziel, in een zo grote innigheid en stilte, dat geen van de vermogens van de ziel wordt toegestaan zich in het minste te roeren.

Ik zou heel de dag zonder moe te worden daarin doorbrengen, zonder iets anders te doen dan enkel God te zien, overduidelijk de eeuwige Vader te zien die onophoudelijk zijn Zoon baart, de Zoon te zien, die onophoudelijk voortkomt uit de Vader, op zo'n wonderlijke, onuitsprekelijke wijze.

Daar werd mij inwendig geleerd hoe ik dit ootmoedig gemoed, dit vernederen, verkleinen en vernieten van mijzelf moest oefenen op een onverbeelde en edele wijze, in een groter eenzaamheid, eenvoudigheid en innigheid. Deze leiden tot een onmiddellijk vergeten en verliezen van mijzelf en van alle dingen buiten mij en tot een terstond verslonden zijn door de ongemeten grootheid van God, zoals een klein vonkje dat in een groot vuur geworpen wordt niet meer te zien is.
Dit was een gelukkige verslondenheid en een gelukkig verlies. Het was mij goed geweest daar altijd in te mogen blijven. Want in zo'n staat zou ik niet kunnen zondigen, want daarin zijn aan het zintuiglijk deel alle krachten en eigen uitwerkingen weggenomen. De zintuiglijkheid is dan geheel onderworpen aan de geest en de geest aan de Geest van God.

De Beminde vraagt ook van mij dat ik mij gedraag en zou zijn als een stille, zuivere en heldere lucht, die niet vermengd is met enige damp of nevel en die in staat is om doorstraald te worden van het licht van de zon en zonder enig beletsel haar stralen, warmte en invloeiing te ontvangen. Want zo moet mijn ziel van alle onzuiverheid of bijmenging van enige onvolmaaktheid, van het aanhangen van de schepselen of een gewillig letten op iets dat buiten God is, vrij en onbelemmerd bewaard worden om de stralen van de goddelijke inlichtingen en inwerkingen zonder enige bemiddeling te kunnen ontvangen.

(Zodra ik naar een schepsel kijk, zegt de Beminde jaloers tegen mij:) Zie alleen op Mij. Zie, ik ben hier in u. Hoe zou je ook maar één ogenblik buiten Mij blijven en de een of andere vreemde afbeelding in je trekken? Door zo'n aanspraak wordt mijn ziel soms onmiddellijk van binnen op zoete wijze aangeraakt en naar binnen getrokken, soms ook met een levende en onmiddellijke openbaring van zijn ongemeten en onbegrijpelijk wezen, met een woord, als de Beminde mij soms laat zien dat Hij het enige Eén en Al is, in alle dingen. Hij lokt mijn ziel en spreekt haar zo toe: beschouw hier mijn wezen, Ik ben Al in alles, zie onder, boven en rondom u, en je zult mij overal vinden.