Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Mechtild van Hackeborn (1241-1299)  
  Mechtild von Hackeborn (1241-1299)  

Toen zij op zevenjarige leeftijd het cisterciënserinnenklooster bezocht waar haar oudere zus was ingetreden, wilde Mechtild van Hackeborn (1241-1299) niet meer terug. In de kloosterschool kreeg zij een uitstekende opleiding. Later werd zij het hoofd van de school, novicenmeesteres en cantrix.
De laatste jaren van haar leven was zij voortdurend ziek. Op haar ziekbed vertelde ze aan twee medezusters over de visioenen die ze had ontvangen. Buiten haar weten schreven deze ze op. Toen Mechtild dat hoorde, schrok ze ervan, maar God zelf stelde haar gerust.
In de visioenen staat Christus centraal. Vaak toont Hij Mechtild zijn hart, symbool van zijn liefde. Zij stelt Hem veel vragen, waarop ze gewoonlijk antwoord krijgt.

Over allerlei pijn

Toen zij langer dan zeven dagen in deze verlatenheid (ziek en zonder 'goddelijk bezoek') was gebleven, overgoot de zeer goede Heer, die altijd nabij de bedroefden van hart is, haar met zo'n overvloeiende troost en zoetheid dat zij vaak van de nachtwake tot het ochtendgebed en van het ochtendgebed tot het middaggebed met gesloten ogen als dood in de genieting van God lag. In deze tijd openbaarde de zachtmoedige Heer haar de wonderbaarlijke dingen van zijn verborgenheden en verblijdde haar zozeer met de zoetheid van zijn aanwezigheid, dat zij zich, als dronken, niet langer in kon houden en die innerlijke genade, die zij zo vele jaren verborgen had gehouden, ook aan gasten en vrienden meedeelde. Daarom vroegen velen haar voorspraak bij God. Naar de mate waarin God zich verwaardigde haar inzicht te geven, kon zij voor ieder het verlangen van zijn hart openbaren, zodat zij zeer verheugd God dankten. ...
Omdat zij klaagde dat zij door hoofdpijnen de slaap was kwijt geraakt, zeiden de mensen dat zij als gevolg van ziekte dwaalde, want zij dachten dat zij niets anders deed dan slapen. Maar toen haar bediende haar vroeg wat zij deed wanneer zij zo met gesloten ogen lag, antwoordde zij: 'Mijn ziel vergenoegt zich in goddelijk genot. Zij zwemt in de Godheid als een vis in het water of als een vogel in de lucht. Er is geen ander onderscheid tussen de genieting van God van de heiligen en de vereniging van mijn ziel dan dat zij deze genieten in vreugde en ik in pijn.'
Gedurende deze dagen van haar ziekte kwam de vastentijd. Zij had zich voorgenomen in de geest bij de Heer in de woestijn te zijn. Op een nacht, toen zij de indruk had dat zij met de Heer in de woestijn was, vroeg zij hem waar hij die eerste nacht wilde blijven. Toen toonde de Heer haar een wondermooie, maar holle boom, die de boom van de nederigheid genoemd werd, en sprak: 'Hier zal ik vannacht blijven.' Nadat hij dit gezegd had, ging de Heer in de holle boom. Toen sprak zij: 'En waar zal ik blijven?' Daarop zei de Heer: 'Weet je niet hoe je in mijn schoot kunt vliegen en daar rusten, zoals de vogels doen?' En onmiddellijk zag zij zichzelf in de gestalte van een vogel in de schoot van de Heer vliegen en daarin vredig rusten. En zij sprak tot de Heer: 'Allermildste Heer, leg uw vinger op mijn hoofd, opdat ik zo inslape.' En de Heer: 'Weet je niet dat de vogels, als zij de slaap willen ontvangen, hun kop onder hun veren leggen?' En zij: 'Heer, wat zijn mijn veren?' Hij antwoordde: 'Je verlangen is een rode veer, omdat het altijd brandt. Je liefde is een groene veer, omdat zij altijd uitbot en groeit. Je hoop is een gele veer, omdat je je onophoudelijk naar mij spoedt.'

Over de macht van de liefde
Op een ander moment, toen zij onder invloed van de genade de macht van de goddelijke liefde overwoog, sprak de Heer tot haar: 'Zie, ik geef mij in de macht van je ziel, zodat ik jouw gevangene ben en jij mij gebiedt wat je maar wilt. Ik ben als een gevangene, die niets kan dan wat zijn heer hem beveelt, in alles bereid om jouw wil te doen.' Dankbaar vernam zij zulke genadige woorden en dacht na over wat zij het beste van Gods liefde zou vragen. Zij merkte in haar hart dat gezondheid haar voor alles ging, want het Paasfeest was al nabij en van de Advent tot nu toe was zij, met uitzondering van Kerst, vanwege haar ziekte niet in staat geweest het koorgebed bij te wonen. Haar trouw aan de Heer dwong haar echter tot inkeer, en zij sprak toe hem: 'O zoetste en liefste van mijn ziel, alhoewel ik nu alle kracht en gezondheid die ik ooit had, terug zou kunnen vragen, wil ik dit geenszins. Maar dit ene wil ik van u, dat ik het nooit oneens zal zijn met uw wil, maar dat ik altijd alles wat u wilt en in mij bewerkt, zowel het gunstige als het ongunstige, met u zal willen.' Onmiddellijk leek het haar dat de Heer haar met zijn linkerarm omarmde en haar hoofd op zijn borst neigde en tot haar sprak: 'Omdat je alles wilt wat ik wil, zal je ziel altijd in mijn omarming zijn, en alle pijn van je hoofd zal ik in mijzelf trekken en het met mijn lijden offeren.'

Over de omarming en het hart van de Heer
Op een ander moment, toen zij zich in haar ziekte bij God beklaagde dat zij niet naar het koorgebed kon gaan en andere goede werken niet kon doen, leek het haar dat de Heer naast haar in het bed ging liggen en haar met zijn linkerarm omarmde, zodat de wonde van zijn lieflijk hart zich met haar hart verbond. Toen sprak hij tot haar: 'Wanneer je ziek bent, omarm ik je met mijn linkerarm, en wanneer je genezen bent, met mijn rechter. Maar weet dit wel: wanneer je door mijn linkerarm omarmd wordt, is mijn hart veel dichter bij je.'

Hoe God de ziel zijn zintuigen schenkt om ze te gebruiken
Eens bad zij de Heer dat hij haar iets zou geven dat in haar voortdurend zijn herinnering op zou wekken. Daarop ontving zij van de Heer dit antwoord: 'Zie, ik geef je mijn ogen, opdat je met hen alle dingen ziet, en mijn oren, opdat je met hen alle dingen hoort; ook mijn mond geef ik je, opdat je alles wat je aan praten, bidden of zingen uit moet spreken, daardoor doet. Ik geef je mijn hart, opdat je daardoor alles denkt en mij liefhebt en alle dingen omwille van mij.' Op dit woord trok God deze ziel helemaal in zich en verenigde haar met zich, zodat het haar toescheen dat zij zag met Gods ogen, hoorde met zijn oren, sprak met zijn mond en voelde geen ander hart te hebben dan het hart van God. Ook later is het haar vaak gegeven dit te voelen.