Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Mechtild van Magdeburg (ca. 1207 – 1282/1294)  
  Mechtild von Magdeburg  (ca. 1207 – 1282/1294)  

Uit de beelden die zij gebruikt kan worden afgeleid dat Mechtild von Magdeburg (ca. 1207 – 1282/1294) van adellijke afstamming was. Zij koos voor een eenvoudige leven als begijn. Wat zij van God vernam, schreef zij op en voegde er de verzuchtingen van haar ziel aan toe. Haar aantekeningen werden door een dominicaanse biechtvader geordend tot een boek, waarvan zij van God zelf de titel vernam: Het vloeiende licht der Godheid.
Omdat zij zich kritisch uitliet over de misstanden in de kerk en de clerus, werd haar het leven moeilijk gemaakt. Toen zij al op leeftijd was, vond zij toevlucht in het klooster van Helfta, waar zij geestverwanten aantrof en enige tijd medezuster was van onder andere Mechtild van Hackeborn.

De reis naar het hof van de ziel bij wie God zich toont

Wanneer de arme ziel aan het hof komt, is zij wijs en goed opgevoed. Dan kijkt zij haar God vol vreugde aan. O, hoe vreugdevol wordt zij daar ontvangen! Zij zwijgt daar en onmetelijk begeert zij zijn lof. Met groot verlangen toont Hij haar zijn goddelijk hart. Dat is aan rood goud gelijk dat brandt in een groot kolenvuur. Daar doet Hij haar in zijn brandend hart, opdat de hoge vorst en het kleine meisje elkaar omhelzen en met elkaar verenigd zijn als water en wijn. Daar wordt zij tot niets en geraakt buiten zichzelf, zo veel zij maar kan. Daar is Hij ziek van liefde tot haar, zoals Hij dat altijd al geweest is, want Hij wordt niet meer of minder. Dan zegt zij: 'Heer, u bent mijn troost, mijn verlangen, mijn stromende bron, mijn zon, en ik ben uw spiegel.' - Dit is de reis naar het hof van de minnende ziel, die zonder God niet kan zijn.

Hoe de ziel God ontvangt en prijst
O vreugdevolle aanschouwing! O vriendelijke groet! O liefdevolle omhelzing! Heer, uw wonder heeft mij verwond, uw genade heeft mij overweldigd. O Gij, hoge steen, U bent zo goed verborgen, in U kan niemand nestelen dan duiven en nachtegalen.

Hoe God de ziel ontvangt
Wees welkom, kleine duif. In het aardse rijk heb je zo veel gevlogen dat je vleugels gegroeid zijn en geschikt geworden zijn voor het hemels rijk.

God vergelijkt de ziel met vier dingen
Je smaakt als een druiventros, je ruikt als balsem, je licht als de zon, je bent een aanwas aan mijn hoogste liefde.

De ziel prijst God in vijf dingen
O Gij, uitgietende God in uw gave! O Gij, vloeiende God in uw liefde! O Gij, brandende God in uw begeerte! O Gij, smeltende God in de vereniging met uw geliefde! O Gij, rustende God aan mijn borsten, zonder wie ik niet kan zijn!

God spreekt de ziel liefdevol toe in zes dingen
Je bent mijn hoofdkussen, mijn lieflijk bed, mijn heimelijkste rust, mijn diepste verlangen, mijn hoogste eer. Je bent een lust voor mijn God-zijn, een troost voor mijn mens-zijn, een beek voor mijn brand.

De ziel beantwoordt Gods lof in zes dingen
U bent mijn spiegelberg, de lust van mijn ogen, het verlies van mijzelf, de storm van mijn hart, het verval en de ondergang van mijn wezen, mijn hoogste zekerheid.

Over de kennis en het genot
De wijze ziel beschouwt liefde zonder kennis als duisternis. Kennis zonder genot beschouwt zij als hellepijn. Genot zonder sterven kan zijn niet verdragen.

Over Maria Boodschap
De zoete dauw van de beginloze Drievuldigheid is ontsprongen aan de bron van de eeuwige Godheid in de schoot van de uitverkoren maagd, en de vrucht van haar schoot is een onsterfelijke God en een sterfelijk mens en een levende troost van eeuwige vreugde, en onze verlossing is Bruidegom geworden. De bruid is dronken geworden van het aanschouwen van het edele aangezicht. Met de grootste kracht komt zij uit zichzelf en in de grootste blindheid ziet zij het allerhelderst. In de grootste helderheid is zij tegelijkertijd dood en levend. Hoe langer zij dood is, des te vreugdevoller zij leeft. Hoe vreugdevoller zij leeft, des te meer zij ervaart. Hoe kleiner zij wordt, des te meer haar toevloeit. Hoe rijker zij wordt, des te armer zij is. Hoe dieper zij woont, des te breder zij is. Hoe meer zij heerst, des te dieper haar wonden worden. Hoe meer zij raast, des te liefdevoller God voor haar is. Hoe hoger zij zweeft, des te mooier zij oplicht door de weerkaatsing van de Godheid hoe nader zij tot Hem komt. Hoe harder zij werkt, des te zachter zij rust. Hoe meer zij omvat, des te stiller zij zwijgt. Hoe duidelijker zij roept, des te grotere wonderen zij met zijn kracht bewerkt naar haar vermogen. Hoe meer zijn lust groeit en hoe nauwer Hij haar omvat, des te groter wordt het geluk van de bruid. Hoe inniger de omhelzing wordt, des te zoeter smaakt het kussen op de mond. Hoe liefdevoller zij elkaar aanzien, des te moeilijker scheiden zij. Hoe meer Hij haar geeft, des te meer verteert zij, hoe veel ze ook heeft. Hoe nederiger zij afscheid neemt, des te sneller komt zij terug. Hoe vuriger zij blijft, des te sneller ontvlamt zij. Hoe meer Gods lof verbreid wordt, des te minder neemt haar begeerte af.
Oh, waarheen stijgt onze Verlosser-Bruidegom op in de jubel van zijn heilige Drievuldigheid? Omdat God niet meer in zichzelf wilde zijn, maakte Hij de ziel en uit grote liefde gaf Hij zichzelf aan haar. Waarvan ben je gemaakt, ziel, dat je zo hoog boven alle schepselen stijgt en je mengt onder de heilige Drievuldigheid en toch helemaal in jezelf blijft? - U hebt gesproken over mijn begin. Nu zeg ik u waarlijk: Ik ben ginds gemaakt, uit liefde, daarom kan geen schepsel mijn edele natuur bevredigen en kan geen schepsel mij openen dan alleen de liefde.
Bid dat God u geweldig bemint, vaak en lang, dan wordt u zuiver, mooi en heilig
O Heer, bemin mij toch geweldig en bemin mij vaak en lang. Hoe vaker U mij bemint, des te mooier ik word. Hoe langer U mij bemint, des te heiliger ik hier op aarde word.

Hoe God de ziel antwoordt
Dat Ik je vaak bemin, komt voort uit mijn natuur, want Ik ben zelf de liefde. Dat Ik je geweldig bemin, komt voort uit mijn begeerte, want ook Ik begeer dat men mij geweldig bemint. Dat ik je lang bemin, komt voort uit mijn eeuwigheid, want Ik ben zonder einde.

God vraagt de ziel wat zij brengt
- Je jaagt voort in je liefde. Zeg mij wat je mij brengt, mijn koningin?
- Heer, ik breng U mijn kleinood. Het is groter dan de bergen, breder dan de wereld, dieper dan de zee, hoger dan de wolken, stralender dan de zon, veelvoudiger dan de stenen en het weegt meer dan heel de aarde.
- O beeld van mijn Godheid, met mijn mens-zijn verhoogd, met mijn heilige Geest getooid, hoe heet je kleinood?
- Heer, het heet de lust van mijn hart. Die heb ik aan de wereld onttrokken, in mijzelf bewaard en aan alle schepselen ontzegd. Nu kan ik hem niet langer dragen. Heer, waar zal ik het leggen?
- Leg de lust van je hart nergens anders dan in mijn goddelijk hart en aan mijn menselijke borst. Alleen daar word je getroost en door mijn Geest gekust.

Over de weg van de liefde, in zeven dingen, over drie gewaden van de bruid en over de dans
God spreekt: 'O minnende ziel, wil je weten, wat jouw weg is?'
De ziel: 'Ja, lieve heilige Geest, onderricht mij!'
God spreekt: 'Wanneer je voorbij de benauwenis van het berouw komt en voorbij de pijn van de biecht en voorbij de kwelling van de boetedoening en voorbij de lust van de wereld en voorbij de verzoekingen van de duivels en voorbij de onmatigheid van het vlees en voorbij de verdorven eigen wil, die zo veel zielen zozeer terug trekt dat zij nooit meer tot de ware vreugde komen, en wanneer je al je ergste vijanden hebt neergeslagen, dan ben je zo moe dat je spreekt: “Schone jongeling, ik verlang naar je, waar kan ik je vinden?”'
Dan spreekt de jongeling: 'Ik hoor een stem die naar liefde klinkt. Vele dagen heb ik om haar geworven, maar de stem was niet dicht bij me. Nu ben ik geraakt, ik moet haar tegemoet gaan. Zij is het, die zowel kommer als liefde draagt. 's Morgens in de dauw, dat is het besloten moment van vrome toewijding dat het eerst in de ziel komt.'
Nu spreken haar kamerheren, dat zijn de vijf zintuigen: 'Meesteres, u moet zich aankleden!'
De ziel: 'Liefde, waar moet ik heen?'
De zintuigen: 'Wij hebben het fluisteren wel gehoord: de vorst wil u tegemoet komen in de dauw en in het mooie zingen van de vogels. Wel dan, meesteres, talm niet langer.'
Nu trekt zij een hemd van zachte nederigheid aan. Het is zo nederig dat zij het niet kan verdragen dat er iets onder haar is. Daarover een wit kleed van zuivere kuisheid. Het is zo zuiver dat zij geen enkele gedachten, woorden en aanrakingen verdragen kan die haar zouden kunnen bezoedelen. Dan slaat zij de mantel van de heilige goede naam om, die zij met al haar deugden verworven heeft.
Zo gaat zij het bos in, in gezelschap van heilige mensen. Dag en nacht zingen de allerzoetste nachtegalen over de vereniging met God en zij hoort vele zoete stemmen van de vogels van de heilige kennis. Nog kwam de jongeling niet. Nu zendt zij boden uit, want zij wil dansen en zij vraagt om het geloof van Abraham, om het verlangen van de profeten, om de kuise nederigheid van Onze Lieve Vrouw, de heilige Maria, om al de heilige deugden van Jezus Christus en om heel de vroomheid van zijn uitverkorenen. Dan heft een mooie lofdans aan.
Daar komt de jongeling en spreekt haar aan: 'Jonkvrouw, u moet de dans die mijn uitverkorenen u voorgedanst hebben even vroom nadansen.'
Daarop spreekt zij: 'Heer, ik kan niet dansen als u mij niet leidt. Als u wilt dat ik sprongetjes maak, dan moet u zelf vooraan gaan en zingen. Dan dans ik in de liefde, van de liefde in de kennis, van de kennis in het genot, van het genot aan alle menselijke zintuigen voorbij. Daar wil ik blijven en toch wil ik verder zwieren.'
En zo moet dan de jongeling zingen bij de dans: 'Voor mij naar jou en voor jou buiten mij, graag bij jou, niet graag van jou weg.'
Dan spreekt de jongeling: 'Jonkvrouw, deze eredans is u goed gelukt. Met de Zoon van de maagd zult u hebben wat u wilt, want u bent nu moe tot in uw diepste innerlijk. Kom tegen de middag naar de schaduwrijke bron in het bed van de liefde. Daar zult u met hem verkoeling vinden.'
Daar spreekt de jonkvrouw: 'O Heer, dat is bovenmate groot, dat zij uw liefdesgezel is die zelf niet de liefde in zich draagt tenzij zij door u wordt bewogen.'
Dan spreekt de ziel tot de zintuigen, die haar kamerheren zijn: 'Nu ben ik het dansen even moe. Laat mij gaan. Ik moet daarheen gaan waar ik verkoeling vind.'
Daarop spreken de zintuigen tot de ziel: Meesteres, als u zich in de liefdestranen van de heilige Maria Magdalena wilt verkoelen, daar zult u zich weer goed voelen.
De ziel: 'Zwijg, heren! Jullie kennen niet al mijn voornemens. Laat mij ongehinderd gaan. Ik wil nu onversneden wijn drinken.'
Zintuigen: 'Meesteres, in de kuisheid van de jonkvrouwen ligt de grote liefde.'
Ziel: 'Dat kan wel zijn, maar voor mij is dat niet het hoogste.'
Zintuigen: 'In het bloed van de martelaar kunt u zich heerlijk verkoelen.'
Ziel: 'Ik ben zo veel dagen gemarteld dat ik daar nu niet heen wil gaan.'
Zintuigen: 'Zuivere mensen wonen graag in de goede raad van de belijders.'
Ziel: 'Heel mijn doen en laten moge altijd goed beraden zijn, maar nu zal ik daar niet heen gaan.'
Zintuigen: 'In de wijsheid van de apostelen vindt u grote zekerheid.'
Ziel: 'Ik heb de wijsheid hier bij mij, met haar zal ik het beste kiezen.'
Zintuigen: 'Meesteres, de engelen zijn rein en lieflijk stralend om aan te zien. Als u verkoeling wilt vinden, begeef u dan daarheen.'
Ziel: 'In mijn liefde is de vreugde van de engelen pijnlijk voor me als ik hun Heer, mijn Bruidegom, niet bij hen zie.'
Zintuigen: 'Verkoel u dan in het heilige leven van boetedoening dat God aan Johannes de Doper verleend heeft.'
Ziel: 'Ik ben bereid te lijden, maar de kracht van de liefde gaat alle moeiten te boven.'
Zintuigen: 'Meesteres, als u zich wilt verkoelen in de liefde, keer u dan in de schoot van de maagd naar het kleine kind en schouw en smaak hoe hij, die de gelukzaligheid van de engelen is, uit de eeuwige maagd de bovennatuurlijke melk zoog.'
Ziel: 'Dat is het genot van een kind en het zogen en wiegen van een kind. Ik ben een volwassen bruid, ik wil naar mijn geliefde gaan.'
Zintuigen: 'O meesteres, als u daarheen gaat, zullen wij helemaal blind worden. Want zoals u zelf goed weet, is de Godheid zo vurig heet, dat al het vuur en heel de gloed die de hemel en alle heiligen doorlichen en doorbranden, uit zijn goddelijke adem gevloeid zijn en uit zijn menselijke mond, door de wil van de heilige Geest. Hoe zou u daar ook maar een uur kunnen blijven?'
Ziel: 'De vis kan in het water niet verdrinken, de vogels kunnen in de lucht niet zinken. Het goud kan in het vuur niet verderven, het ontvangt daar zijn zuiverheid en zijn lichtende kleur. Aan alle schepselen heeft God gegeven dat zij leven overeenkomstig hun natuur. Hoe zou ik dan mijn natuur kunnen weerstaan? Ik moet uit alle dingen in God gaan, die van nature mijn Vader is, mijn broeder in zijn mens-zijn, mijn bruidegom in liefde en ik de zijne, zonder begin. Wilt u soms dat ik het mijne niet geheel vind? Hij kan beide, zowel krachtig branden als vertroostend verkoelen. Maar wees niet te zeer bedroefd. Ooit zullen jullie mij nog onderrichten. Als ik terug kom, zal ik jullie leer hard nodig hebben, want de aarde is vol gevaren.'
Zo gaat dan de allerliefste tot de allerschoonste in de geheime kamer van de zuivere Godheid. Daar vindt zij het bed van de liefde en het vertrek van de liefde, en God en mens gereed. Daar spreekt nu onze Heer: 'Blijf staan, Vrouwe ziel.' - 'Wat gebiedt u, Heer?' - 'U moet u uitkleden.' - 'Heer, hoe kan dat zijn?' - 'Vrouwe ziel, van nature bent u zozeer in mij, dat tussen u en mij niets mag zijn. Nooit was een engel zo verheven, dat hem ook maar voor een uur verleend was wat u voor eeuwig gegeven is. Leg daarom alle angst en schaamte en alle uitwendige deugden af. Alleen de deugd die u in het innerlijk van uw natuur draagt, moet u in eeuwigheid willen vinden. Dat zijn uw edel verlangen en uw grondeloze verlangen. Die wil ik eeuwig vullen met mijn eindeloze rijkdom.' - 'Heer, nu ben ik een naakte ziel en U bent in Uzelf een heerlijke God. Onze gemeenschap is eeuwige gelukzaligheid, zonder dood.'
Nu treedt daar een zalig laven in, naar hun beider wil. Hij geeft zich aan haar en zij zich aan hem. Wat zich daar aan haar voltrekt, dat weet zij, en daarmee ben ik tevreden. Maar het kan niet lang duren. Waar twee die van elkaar houden heimelijk samen zijn, daar moeten zij vaak snel uiteengaan.
Beste Godsvriend, deze weg van de liefde heb ik je beschreven. God moge hem in je hart geven. Amen.

Een zang van de ziel in vijf dingen, en hoe God het gewaad van de ziel is en de ziel dat van God
U schijnt in mijn ziel zoals de zon in het goud schijnt. Wanneer ik in U, Heer, mag rusten, is mijn gelukzaligheid overgroot. U bekleedt U met mijn ziel en u bent ook haar intiemste kleed. Dat er een scheiden moet zijn, is mijn grootste hartenleed. Als U mij krachtiger zou willen beminnen, zou ik hier zeker weg komen en dan zou ik u ononderbroken kunnen beminnen. Dat is wat ik wens. Nu heb ik voor U gezongen, maar nog is het mij niet gelukt. Als U voor mij wilt zingen, moet het mij lukken.

Een beurtzang van God in de ziel in vijf dingen
Wanneer Ik schijn, moet jij oplichten. Wanneer Ik stroom, moet jij op en neer golven. Wanneer Ik zucht, trek jij mijn goddelijk hart in je. Wanneer je om mij weent, neem Ik je in mijn armen. Wanneer je echter bemint, worden wij tweeën één. En wanneer wij tweeën zo één zijn, kan er geen scheiden meer zijn, slechts een gelukzalig wachten woont tussen ons beiden.
(De ziel spreekt:)
Heer, daarom wacht ik, hongerig en dorstig, gejaagd en vol verlangen, tot het spelende uur, als uit uw goddelijke mond de uitverkoren woorden vloeien, die niemand gehoord heeft, alleen de ziel die al het aardse heeft afgelegd en haar oor aan uw mond legt – aan haar wordt de schat van de liefde bekend gemaakt.

Over de klacht van de minnende ziel dat God haar ontziet en haar zijn gaven onttrekt.Over wijsheid, hoe de ziel God vraagt wie Hij is en hoe Hij is. Over de tuin, de bloemen en het gezang van de maagden
O Gij, onmetelijke schat in uw volheid! O Gij, onvatbaar wonder in uw veelvoudigheid! O Gij, oneindige macht in de heerlijkheid van uw majesteit! Hoe veel pijn ik om U heb omdat U mij wilt ontzien, kunnen alle schepselen U niet volledig zeggen, als zij voor mij bij U zouden klagen. Want ik leid een onmetelijke pijn, een menselijke dood zou veel zachter zijn. In gedachten zoek ik U, zoals een maagd heimelijk haar lief. Ik ben zwaar ziek, want ik ben aan U gebonden. Die band is sterker dan ik ben, daarom kan ik mij van de liefde niet ontdoen. Met grote honger roep ik U, met jammerende stem. Ik verbeid U met bezwaard hart, ik vind geen rust, onblusbaar brand ik in mijn hete liefde. Uit alle kracht jaag ik U na. Maar al had ik de kracht van een reus, op uw spoor zou hij snel verloren gaan. Ach Liefste, loop niet zo ver voor me uit en rust een weinig in liefde, opdat ik U kan grijpen.
- O Heer, omdat U mij alles onttrokken hebt wat ik van U heb, laat mij toch uit genade dezelfde gave die U van nature aan een hond gegeven hebt, dat is, dat ik U trouw zal zijn in mijn nood, zonder tegen te stribbelen. Daar verlang ik waarlijk meer naar dan naar uw hemelrijk.
- Lieve duif, luister nu naar mij. Mijn goddelijke wijsheid is zo krachtig over jou, dat Ik je al mijn gaven verleen, zo, dat je ze met je arm lichaam kunt dragen. Jouw heimelijk zoeken zal mij vinden, de klacht van je hart mag mij dwingen, je zoete jagen maakt mij zo moe dat Ik begeer mij te verkoelen in jouw zuivere ziel, waarin Ik gebonden ben. Het zuchtende beven van je verwonde hart heeft mijn gerechte oordeel van je verdreven.. Zo is het goed voor jou en voor mij. Ik kan niet zonder jou zijn. Hoe zeer wij ook verdeeld zijn, wij kunnen toch niet gescheiden zijn. Als mijn aanraking niet zo licht zou zijn, zou Ik je lichaam mateloos pijn doen. Als Ik je altijd zou geven wat je begeert, zou Ik mijn zoete aardse woning in jou ontberen, want duizend lichamen zouden de begeerte van één minnende ziel niet kunnen vervullen. Daarom, hoe hoger de liefde van een mens is, des te meer is hij een heilige martelaar.
- O Heer, al te zeer ontziet U mijn onreine kerker, waarin ik het water van de wereld drink en met grote hartepijn de as van mijn zwakheid eet. Tot stervens toe ben ik gewond door de straal van uw vurige liefde. Nu laat U, Heer, mij ongezalfd in deze grote kwelling liggen.
- Lief hart, mijn koningin, hoe lang wil je zo ongezeglijk zijn? Als Ik je allerpijnlijkst verwondt, zalf Ik je op hetzelfde uur in je allerinnerlijkst. Heel de volheid van mijn rijkdom is van jou, en je zult macht hebben over mij. Ik ben gevangen in jouw liefde. Jij hebt de weegschaal en de gewichten, ik heb het goud. Tegen al wat je om mijnentwille gedaan, gelaten en geleden hebt, wil Ik opwegen en voor de eeuwigheid wil Ik jou mezelf geven, zo veel je mij maar kunt willen.
- Heer, twee dingen wil ik U vragen, onderricht mij daarin naar uw genade. Als mijn ogen onzalig treuren en mijn mond onnozel zwijgt en mijn tong in mijn hartepijn gebonden is en mijn zintuigen mij van uur tot uur vragen wat mij overkomt, dan richt dat alles mij op U, Heer. Mijn vlees valt af, mijn bloed verdort, mijn gebeente verkleumt, mijn aderen verkrampen, mijn hart smelt om uw liefde en mijn ziel brult als een hongerige leeuw. Hoe het dan met mij is en waar U dan bent, Veelgeliefde, zeg mij dat.
- Met jou is het als met een jonge bruid, van wie in haar slaap haar enige geliefde is weggegaan. Tot hem had zij zich met heel haar trouw toegewend en zij kan het niet verdragen dat hij voor een uur van haar scheidt. Als zij dan wakker wordt, heeft zij niet meer van hem dan zij in haar zintuigen met zich mee draagt. Daarom heft zij haar grote klaagzang aan. Zo lang de jongeling nog niet aan zijn bruid gegeven is, moet zij vaak zonder hem zijn. Ik kom tot wanneer ik dat verlang, wanneer Ik wil. Wees vroom en stil en verberg je kommer waar je kunt. Dan neemt de kracht van de liefde in jou toe. Nu zal Ik je zeggen waar Ik dan ben. Op alle plaatsen en in alle dingen ben Ik in mijzelf, zoals ik van eeuwigheid zonder begin ben, en Ik wacht op je in de tuin van de liefde en pluk voor jou de bloemen van de zoete vereniging en bereid daar voor jou een bed van het lieflijke gras van de heilige kennis. En de heldere zon van mijn eeuwige Godheid beschijnt je met het verborgen wonder van mijn gelukzaligheid, waarvan je heimelijk een weinig hebt mogen proeven. Daar buig ik de hoogste boom van mijn heilige Drievuldigheid naar jou toe en dan breek jij de groene, witte, rode appel van mijn milde mensheid en dan beschermt de schaduw van mijn heilige Geest je tegen alle aardse treurigheid. Dan kun je niet meer denken aan je hartepijn. Wanneer je de boom omarmt, leer Ik je het lied van de maagden, de wijs, de woorden en de zoete klank, het lied dat al wie doortrokken zijn van onkuisheid uit zichzelf niet kunnen verstaan, maar zij zullen allen eenmaal de zoete omvorming verwerven. Mijn lief, hef nu aan en laat horen hoe jij dit kunt.
- O wee, mijn Veelgeliefde, ik ben hees in de keel van mijn kuisheid, maar de suiker van Uw zoete mildheid heeft klank in mijn keel gebracht, zodat ik nu zo zingen kan, Heer: Uw bloed en het mijne is één en ongedorven, uw liefde en de mijne is één en ongedeeld, uw gewaad en het mijne zijn één en onbezoedeld, uw mond en de mijne zijn één zoetheid. -
Dit zijn de woorden die de stem van de liefde zong, maar de zoete klank van het hart blijft hier weg, want die kan een menselijke hand niet beschrijven.
 
Uit: M. Buber, Extatische getuigenissen.