Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Ruusbroec (1293-1381)  
  Ruusbroec (1293-1381)  

Op latere leeftijd trok de Vlaamse priester Ruusbroec (1293-1381) zich met enkele metgezellen terug en leefde als kluizenaar in de bossen onder Brussel. De kleine gemeenschap groeide snel en na enkele jaren werd Ruusbroec tot prior benoemd, wat hij tot zijn dood bleef. Niet in de afzondering, maar al eerder, in de stad, had hij zijn belangrijkste werken geschreven.
Meer dan alle andere mystici plaatst hij de eenwording van de mens met God in trinitair perspectief, als een opgenomen worden in de goddelijke Drieëenheid en in de eenheid van Gods eigen wezen. In de beoefening van de deugden, dat wil zeggen in zijn werkzame leven, volgt de mens de drie goddelijke Personen na. In hun verhouding tot de schepping werken Vader, Zoon en Geest scheppend, verlossend en heiligend. De Heilige Geest, Gods minneband, wekt de mens op tot minne. Door de minne één geworden met God, deelt de mens in Gods gelukzaligheid. Daar is geen werken meer, zelfs niet de werken van de minne, die in de veelvuldigheid volbracht worden, maar louter genieten. Daar vloeien de drie Personen in in de eenheid van de Godheid. De mysticus wordt opgenomen in de beweging van de Drieëenheid: uitvloeien in werken en minne, invloeien in eenheid.

Wil deze goede mens tot een innig, geestelijk mens worden, dan behoren daartoe nog drie andere punten. Het eerste punt is onverbeeldheid van hart. Het andere punt is geestelijke vrijheid ten opzichte van de begeerten. Het derde punt is een inwendige ening te voelen met God. Laat ieder die meent geestelijk te zijn zich hieraan toetsen.
Wie onverbeeld van hart wil zijn, mag aan geen ding gehecht zijn, noch aan iemand met vrijwillige geneigdheid kleven of zo met hem omgaan. Want alle omgang en alle liefde die niet zuiver om de eer van God is, schept beelden in het hart van de mens, want zij is niet uit God, maar uit het vlees geboren. Om geestelijk te worden moet de mens al zijn vleselijke liefde verzaken en alleen aan God met onverzadigbare begeerte en met liefde aankleven en Hem op die wijze bezitten. Daarmee worden alle beelden en alle ongeordende liefde tot de schepselen verdreven.
Door God met liefde te bezitten, wordt de mens van binnen ongebeeld, want God is een geest, die niemand zich met behulp van beelden voor kan stellen. Maar in zijn oefeningen zal de mens zich goede beelden voorhouden, zoals het lijden van onze Heer en alle dingen die hem tot meer vroomheid kunnen opwekken. Maar in het bezitten van God moet de mens vallen in een blote ongebeeldheid, die God is. Dit is het eerste punt en het fundament van een geestelijk leven.
Het andere punt is inwendige vrijheid, dat is dat de mens zich onverbeeld en ongehinderd tot God verheffen kan in allerlei inwendige oefeningen, in dank en in lof, in eerbetuigingen, in vrome gebeden, in innige liefde en in alle dingen die met hulp van Gods genade en van inwendige ernst lust en liefde op kunnen wekken tot alle geestelijke oefeningen.
Door deze inwendige oefeningen komt men tot het derde punt, dat is dat men een geestelijke ening met God gevoelt. Wie in zijn inwendige oefeningen een onverbeelde, vrije opgang tot zijn God heeft, en op niets anders uit is dan de eer van God, zal de goedheid van God smaken en hij zal van binnen een ware ening met God ervaren. In deze ening wordt een inwendig geestelijk leven volmaakt, want uit deze ening wordt de begeerte altijd opnieuw aangeroerd en verwekt tot een nieuw inwendig werken, en al werkende gaat de geest op in een ening. Zo vernieuwen werk en ening zich voortdurend. Dit vernieuwen in werken en in ening is een geestelijk leven.
Zo kunt u ervaren dat een mens goed is door zedelijke deugden met de juiste overtuiging en dat de mens geestelijk kan worden door inwendige deugden en ening met God. Zonder deze punten kan hij goed noch geestelijk zijn.
Verder moet u weten dat er ook drie punten zijn die van een geestelijk mens een God-schouwend mens maken. Het eerste punt is dat hij het fundament van zijn wezen grondeloos ervaart. Zo moet hij het bezitten. Het andere punt is: zijn oefeningen moeten wijzeloos zijn. Het derde punt: hij moet wonen in een goddelijk genieten.
Versta nu, u die in de geest wilt leven, want niemand anders spreek ik toe. De ening die de geestelijke mens zonder grond met God ervaart, is mateloos diep, mateloos hoog, mateloos lang en breed en openbaart hem dat de geest zonder grond is.
In dezelfde openbaring wordt de geest gewaar dat hij door minne aan zichzelf ontzonken is in die diepte, ontstegen in die hoogte en ontgaan in die lengte. En hij ervaart zichzelf als verdwaald in de wijdte en wonend in die onbekende bekendheid. En hij ervaart zich aan zichzelf ontvloten door die aanklevende ervaring van ening, in eenheid, en, door reeds te sterven, ervaart hij zich in de levendigheid Gods. En daar ervaart hij zich één leven met God. Dit is een fundament en het eerste punt in een schouwend leven.
Hieruit ontspringt het andere punt, dat is een oefening boven het verstand en zonder wijze, want de eenheid van God, die iedere schouwende geest in minne in bezit genomen heeft, trekt en eist eeuwig de goddelijke personen en alle minnende geesten in zich. Ieder die mint, voelt dit intrekken, minder en meer, naar de mate van zijn minne en naar de wijze van zijn oefeningen. Wie dit intrekken waarneemt en daarbij blijft, kan niet in doodzonden vallen.
De schouwende mens, die zichzelf en alle dingen verloochend heeft en zich door niets weggetrokken voelt, omdat hij geen ding in eigendom bezit en tegenover alles ledig staat, kan altijd bloot en onverbeeld komen in het innigste van zijn geest. Daar openbaart zich een eeuwig licht aan hem en in dit licht ervaart hij het eeuwige inmanen van Gods eenheid. Hij ervaart zichzelf als een eeuwige brand van minne, die boven alles begeert één te zijn met God. Hoe meer hij dit intrekken of inmanen waarneemt, hoe meer hij het ervaart. En hoe meer hij het ervaart, hoe meer lust hij krijgt om één te zijn met God, want hij begeert de schuld te betalen waartoe hij door God gemaand wordt.
Het eeuwig inmanen door Gods eenheid ontsteekt in de geest een eeuwig branden van minne. Als de geest zonder ophouden zijn schuld betaalt, dan bewerkt dit in hem een eeuwig verbranden. Want in de overvorming door de eenheid begeven alle geesten het in hun werkzaamheid en zij gevoelen anders niet dan een verbranden in de eenvuldige eenheid van God.
Deze eenvuldige eenheid van God kan niemand ervaren noch bezitten als hij er niet vóór staat in ongemeten klaarheid en in minne boven verstand en zonder wijze. Als hij ervóór staat, ervaart de geest in zich een eeuwig branden van minne, en aan deze minne-brand ontwaart hij einde noch begin en hij ervaart zichzelf één met deze brand van minne. Altijd blijft de geest branden in zichzelf, want zijn minne is eeuwig en altijd ervaart hij zich verbranden in minne, want hij wordt getrokken in de overvorming door de eenheid Gods.
Waar de geest, die brandt van minne, zichzelf opmerkt, vindt hij onderscheid en anderheid tussen zichzelf en God. Maar waar hij verbrandt, daar is hij eenvuldig en heeft hij geen onderscheid, want hij ervaart niets dan eenheid. Want al wat de ongemeten vlam van de minne Gods grijpen kan, verteert en verslindt zij in zichzelf. Zo zult gij merken dat de intrekkende eenheid Gods niets anders is dan grondeloze minne, die de Vader en de Zoon en al wat in Hem leeft, met minne intrekt in een eeuwig genieten. Waar de geest, die in minne brandt, bewust in zichzelf keert, ontwaart hij onderscheid en anderheid tussen hem en God; maar waar hij opbrandt, is hij eenvuldig en neemt hij geen onderscheid waar; want hij ervaart niets dan eenheid: de ongemeten vlam der minne Gods verteert en verslindt al wat zij grijpen kan in haar zelfheid. Zo zult gij merken dat de intrekkende eenheid niets anders is dan de grondeloze minne, die de Vader en de Zoon en al wie in Hem leeft minnelijk intrekt in een eeuwig genieten. In deze minne willen wij branden en verbranden zonder einde in eeuwigheid, want hierin ligt de zaligheid van alle geesten. Daarom moeten wij heel ons leven funderen op een grondeloze afgrond. Dan kunnen wij eeuwig in minne verzinken en aan onszelf ontzinken in die grondeloze diepte. Met dezelfde minne moeten wij opstijgen en aan onszelf ontstijgen in de onbegrijpelijke hoogte; en in de wijzeloze minne zullen wij ronddolen. Zij zal ons leiden in de ongemeten wijdte der minne Gods. Daarin zullen wij vlieten en onszelf ontvlieten in de onbekende weelde van de rijkdom en de goedheid Gods. En daarin zullen wij smelten en versmelten, en eeuwig in Gods glorie als in een kolk verzwonden worden.
Zie, in al deze vergelijkingen laat ik aan de schouwende mens zijn toestand en zijn oefeningen zien. Maar niemand anders kan dit verstaan, want een schouwend leven kan niemand anderen leren. Waar echter de eeuwige Wijsheid zich in de geest openbaart, daar worden alle dingen geleerd die nodig zijn. (...)
Wij moeten voortdurend leven en waken in alle deugden, en boven alle deugden sterven en ontslapen in God. Want wij moeten sterven aan de zonde en uit God geboren worden in een deugdzaam leven, en wij moeten aan onszelf verzaken en in God sterven in een eeuwig leven, op de volgende wijze.
Wanneer wij geboren worden uit de Geest Gods, zijn wij zonen van genade. Zo wordt heel ons leven gesierd met deugden en zo overwinnen wij al wat tegengesteld is aan God. Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld, zegt Sint Jan (1 Jh. 5,4). In deze geboorte zijn alle goede mensen de zonen van God. En de Geest Gods wekt en beweegt ieder afzonderlijk tot die deugden en tot die goede werken waar hij toe bereid en bekwaam is. Zo behagen zij allen aan God, ieder afzonderlijk, naar de mate van hun minne en naar de edelheid van hun deugdbeoefening. Toch ervaren zij God niet altijd; zij bezitten God nog niet en zijn nog niet verzekerd van het eeuwige leven, want zij kunnen zich nog afkeren en in zonde vallen. Daarom noem ik hen veeleer knechten of vrienden dan zonen.
Wanneer wij echter aan onszelf ontstijgen en in onze opgang naar God zo eenvuldig worden dat de blote minne ons kan omvangen in de hoogte, waar zij alleen maar minne is, boven alle beoefening van deugden, dat is onze oorsprong, waar wij geestelijk uit geboren worden. Daar zullen wij onszelf en alle eigenschappen verliezen en sterven in God. En in dit sterven worden wij verborgen zonen van God en vinden wij in ons een nieuw leven, en dat is een eeuwig leven. Over deze zonen spreekt Sint Paulus: 'U bent dood en uw leven is met Christus verborgen in God' (Kol. 3,3).
Begrijp nu dat wij in onze opgang naar God onszelf en al onze werken voor ons moeten dragen als een eeuwige offerande aan God. Maar in de tegenwoordigheid van God moeten wij onszelf en al onze werken achter ons laten. Stervend in minne zullen wij al het geschapene overstijgen tot in de overwezenlijke rijkheid Gods. Daar zullen wij God bezitten in een eeuwig verstorven zijn aan onszelf. Daarom spreekt de Geest Gods in het boek der Openbaringen dat de doden die in de Heer sterven zalig zijn (Openb. 14,13). Met recht noemt Hij hen zalige doden, want zij blijven eeuwig gestorven en aan zichzelf ontzonken in de genietende eenheid van God. Steeds opnieuw sterven zij in minne door de intrekkende overvorming van dezelfde eenheid. 'Voortaan,' spreekt de Geest, 'zullen zij rusten van hun arbeid en hun werken zullen hen volgen' (Openb. 14,13).
In de wijze worden wij uit God geboren in een geestelijk, deugdzaam leven. Daar dragen wij ons werk voor ons uit, als een offer aan God. Maar in de onwijze, waar wij weer in God sterven in een eeuwig zalig leven, daar volgen onze goede werken ons, want zij zijn één leven met ons. In onze opgang naar God door middel van de deugden woont God in ons. Maar wanneer wij onszelf en alle dingen overstijgen, dan wonen wij in God. Wanneer wij geloof, hoop en minne bezitten, dan hebben wij God ontvangen en woont Hij in ons met zijn genade. En Hij zendt ons uit als zijn getrouwe knechten om zijn geboden te onderhouden, en Hij roept ons weer in als zijn verborgen vrienden, nadat wij zijn verordeningen hebben opgevolgd. Hierdoor maakt hij ons openlijk kenbaar als zijn zonen, wanneer wij tegengesteld leven aan de wereld.
Om God boven alle dingen te smaken en om eeuwig leven in ons te ervaren, moeten wij echter boven het verstand uit met ons geloof in God ingaan. Daar moeten wij eenvuldig, ledig en beeldloos blijven, door de minne verheven in de open blootheid van onze gedachten. Want daar zijn wij in minne boven alle dingen verheven en sterven wij aan alle waarneming en begrippelijke kennis in niet-weten en in donkerheid. Daar worden wij gewrocht en overvormd met het eeuwige Woord, dat een beeld van de Vader is. En in het ledig zijn van onze geest ontvangen wij de onbegrijpelijke klaarheid, die ons omvangt en doorstraalt zoals de lucht doorstraald wordt met de klaarheid van de zon.
Deze klaarheid is anders niet dan een grondeloos staren en schouwen. Wat wij zijn, dat staren wij aan en wat wij aanstaren, dat zijn wij. Want ons denken en ons leven en ons wezen is eenvuldig verheven en verenigd met de waarheid, die God is. Daarom zijn wij in dit eenvuldig staren één leven en één geest met God (1 Kor. 6,17). Dit noem ik een schouwend leven. Waar wij met minne God aankleven, daar beoefenen wij het beste deel (Lc. 10,42). Maar waar wij aldus in overwezen staren, daar bezitten wij God geheel.
Met dit schouwen is voortdurend een wijzeloze oefening verbonden, dat is een vernietend leven. Want waar wij uit onszelf uitgaan in donkerheid en in onwijze zonder grond, daar schijnt altijd de eenvuldige straal van Gods klaarheid, waar wij in gefundeerd zijn en die ons uit ons zelf trekt in overwezen en in ontzonkenheid van minne. Deze ontzonkenheid van minne hangt altijd een wijzeloze oefening van minne aan en volgt deze na, want minne kan niet ledig zijn, maar zij wil de grondeloze rijkheid die in haar grond leeft doorweten en doorsmaken. Dit is een ongestilde honger: steeds krijgen en toch onvoldaan blijven, dat is zwemmen tegen de stroom in. Men kan het loslaten noch vatten, men kan het derven noch verwerven, men kan het uitspreken noch verzwijgen, want het is boven verstand en verstaan en boven alle schepselen verheven. Daarom kan men het bereiken noch achterhalen.
Maar wij moeten in ons binnenste zien. Daar gevoelen wij dat de Geest Gods ons drijft en aanstoot in die ongedurigheid van minne. En wij moeten boven onszelf zien. Daar gevoelen wij dat de Geest Gods ons uit onszelf trekt en tot niets verteert in zijn Zelfheid, dat is in de overwezenlijke minne, waar wij één mee zijn en die wij dieper en breder bezitten dan alle dingen. Dit bezitten is een eenvuldige, afgrondige smaak van alle goeds en van eeuwig leven. In deze smaak zijn wij verzwolgen boven verstandelijke overwegingen en zonder verstandelijke overwegingen zijn wij in de diepe, onbewogen stilheid van de Godheid.
Dat dit waar is, kan men alleen uit ervaring weten en anders niet. Want hoe dat is, of waar of wat, dat kunnen verstandelijke overwegingen of oefeningen niet achterhalen. Daarom blijft onze erop volgende oefening altijd wijzeloos, dat wil zeggen zonder bepaalde manier. Want dat grondeloze goed dat wij smaken en bezitten, kunnen wij begrijpen noch verstaan, noch kunnen wij uit onszelf met onze oefeningen daarin komen. Daarom zijn wij arm in onszelf en rijk in God; in onszelf hongerig en dorstig, in God dronken en verzadigd; in onszelf werkend en in God van alles ledig. En zo moeten wij eeuwig blijven, want zonder oefeningen van minne kunnen wij God nimmer bezitten. Wie anders meent of gelooft, is bedrogen.
Zo leven wij geheel in God, in wie wij onze zaligheid bezitten, en wij leven geheel in onszelf, waar wij ons in minne tot God oefenen. En al leven wij geheel in God en geheel in onszelf, toch is dit maar één leven. Maar wij ervaren het als tegengesteld en tweevoudig. Want arm en rijk, hongerig en verzadigd, werkend en ledig, deze dingen zijn geheel tegengesteld. Toch ligt hierin onze hoogste edelheid, nu en eeuwig. Want wij kunnen in het geheel niet God worden en onze geschapenheid verliezen. Dat is onmogelijk. Wanneer wij geheel in onszelf zouden blijven, afgezonderd van God, dan zouden wij ellendig en onzalig zijn. Daarom moeten wij ons geheel in God en geheel in onszelf ervaren. En tussen deze twee ervaren en vinden wij anders niet dan de genade van God en de oefeningen van onze minne. Want uit ons hoogste ervaring schijnt de klaarheid Gods in ons, die ons de waarheid leert en ons tot alle deugden aanzet en tot eeuwige minne voor God. Deze klaarheid volgen wij onophoudelijk na tot in de grond waaruit zij komt. En daar ervaren wij anders niet dan ontgeesten en ontzinken in eenvuldige, grondeloze minne zonder wederkeer.
Als wij daar altijd met onze eenvuldige blik konden blijven, zouden wij dit altijd ervaren. Want ons ontzinken in de overvorming Gods, dat blijft eeuwig, zonder ophouden, wanneer wij eerst uit onszelf zijn uitgegaan en God bezitten in ontzonkenheden van minne, dat is in verlorenheden van ons zelf. Dan is God ons eigen en wij zijn zijn eigen, en wij zijn eeuwig en zonder wederkeer aan onszelf ontzonken in ons eigendom, dat God is. Dit minnend ontzinken is wezenlijk. Dit minnend ontzinken geschiedt, of wij slapen of waken, weten of niet weten. Op deze wijze verdient dit ontzinken geen nieuwe graad van loon, maar het behoudt ons in dat bezitten van God en van al dit goeds dat wij hebben verkregen.
Dit ontzinken is als rivieren die zonder ophouden en zonder wederkeer onophoudelijk in zee vloeien, want dat is hun eigen plaats. Evenzo, wanneer wij God alleen bezitten, dan vliedt ons wezenlijk minnend ontzinken zonder terugkeer in een afgrondig gevoelen dat wij bezitten en dat ons eigen is. Als wij dan altijd eenvuldig zouden zijn en met een gelijke geheelheid toe zouden zien, dan zouden wij dit altijd op deze wijze ervaren.
Dit ontzinken geschiedt boven alle deugden en boven alle oefeningen van minne, want het is anders niet dan een eeuwig uitgaan uit onszelf, met een klaar zien in een anderheid, waar wij uit onszelf in neigen als in zaligheden. Want wij gevoelen een eeuwig uitneigen in een anderheid dan we zelf zijn. En dit is het innigste en verborgenste onderscheid dat wij tussen ons en God waar kunnen nemen, want hierboven is nimmer onderscheid.
Nochtans blijft ons verstand met open ogen staan in donkerheden, dat is in onweten zonder grond. In deze donkerheid blijft de grondeloze klaarheid voor ons bedekt en verborgen. Want haar grondeloosheid overkomt ons en verblindt ons verstand. Maar zij omvat ons in eenvuldigheid en overvormt ons met haarzelf; en zo worden wij door God aan onze werkzaamheid ontheven en tot in de ontzonkenheid van minne gebracht, waarin wij zaligheid bezitten en één zijn met God.
(80) Wanneer wij aldus met God verenigd worden, blijft daarvan in ons een levend weten en een werkende minne, want zonder ons weten kunnen wij God niet bezitten en zonder oefeningen van minne kunnen wij niet met God verenigd worden en verenigd blijven. Want als wij zalig zouden zijn zonder dat wij dat weten, dan zou ook een steen, die er niets van weet, zalig kunnen zijn. Als ik heer over heel de aarde zou zijn, en ik wist het niet, wat baatte mij dat? Daarom moeten wij voortdurend weten en smakend en bezittend voelen. Dit bevestigt Christus zelf ons, waar Hij aldus over ons spreekt tot zijn Vader: 'Dit is eeuwig leven, dat zij U alleen kennen, één waarachtige God, en wie U gezonden hebt, Jezus Christus' (Jh. 17,3). Hieraan kunt u zien dat ons eeuwig leven gelegen is in kennis met onderscheid. (...)
De mens die uit deze hoogte door God neergezonden wordt in de wereld, is vervuld van waarheid en rijk aan alle deugden. Hij zoekt zichzelf niet maar de eer van Hem, die hem gezonden heeft. Daarom is hij rechtvaardig en waarachtig in alle dingen en bezit hij een rijke, milde grond, die gefundeerd is in de rijkheid van God. Daarom moet hij altijd uitvloeien in allen die hem nodig hebben, want zijn rijkdom is de levende bron van de heilige Geest, die men nooit volledig leegputten kan. Hij is een levend en gewillig instrument van God, waarmee God werkt wat Hij wil en hoe Hij wil. Daarom ook eigent die mens zich dit niet toe, maar hij geeft alle eer aan God. Zo blijft hij willig en gereed om alles te doen wat God gebiedt en sterk en moedig in het dulden en verdragen van wat God hem overzendt. Daarom bezit hij een in liefde naar alle mensen uitvloeiend leven, want schouwen en werken liggen hem even na en in beide is hij volmaakt.
(Uit: Vanden blinkenden steen)

Het eerste werk van Christus en het begin van deze wijze waarop Christus komt, is dat God het hart en de begeerte en alle kracht van de ziel naar boven trekt, naar de hemel en eist dat zij met Hem verenigd zijn. Geestelijk spreekt Hij in het hart: 'Ga uit uzelf uit, naar mij, op de wijze waarop Ik u trek en opeis.' Dit trekken en dit opeisen kan ik niet goed aan grove, ongevoelige mensen duidelijk maken. Maar het is een inwendig uitnodigen van het hart en het opeisen tot zijn hogere eenheid. Dit inwendig uitnodigen is voor het minnende hart genoeglijker dan al wat het ooit voelde. Want hieraan ontspringt een nieuwe wijze en een hogere oefening. Hier ontluikt het hart in vrede en in begeerten, alle aderen gaan wijd open en alle krachten van de ziel zijn bereid en begeren dat te volbrengen wat hier door God en door zijn eenheid geëist wordt. Dit uitnodigen is het inschijnen van Christus, de eeuwige Zon, en geeft zo'n groot genoegen en zo'n grote vreugde in het hart, en opent het hart zo wijd, dat men het nooit meer helemaal kan sluiten. Hierdoor wordt de mens van binnen in zijn hart gewond en voelt hij kwetsuren van minne. Gewond te zijn van minne, dat is het zoetste gevoel en de zwaarste pijn die men dragen kan. Gewond te zijn van minne, dat is een zeker teken dat men genezen zal. De geestelijke wond veroorzaakt wel en wee tegelijkertijd. Christus, de ware Zon, blikt en schijnt weer in dat gewonde, open hart, en eist echte eenheid. Dit vernieuwt de wond en alle kwetsuren.
Door dit innige eisen en dit uitnodigen richt het schepsel zich op en maakt zichzelf gereed met al wat zij volbrengen kan. Tot die eenheid kan zij echter niet komen en die niet verkrijgen. Dit veroorzaakt een geestelijke kwaal: als het innigste van het hart en de oorsprong van het leven gewond is van minne en men niet verkrijgen kan wat men boven al begeert en men altijd blijven moet waar men niet wil zijn: uit deze twee komt deze kwaal voort. Hier is Christus verheven tot het hoogste van het gemoed en werpt zijn goddelijke stralen in de hevige begeerte en in de lust van het hart. Dit stralen brandt en droogt en verteert al de vochtigheid, dat is de kracht en de macht van de natuur. De lust van dit open hart en het inschijnen van de goddelijke stralen veroorzaken een voortdurende kwaal.
Als men God niet kan verkrijgen en Hem ook niet ontberen kan, dan ontspringt uit deze twee orewoet (een minnebrand, een zeer onstuimig liefdesverlangen) en ongedurigheid in zulke mensen, van buiten en van binnen. Zo lang de mens zo onrustig is, kan geen enkel schepsel in de hemel of op aarde hem tot rust brengen noch op een andere wijze dienstbaar kan zijn. In deze onstuimigheid worden in hem soms hoge, nuttige woorden gesproken en worden hem van binnen zonderlinge onderrichtingen en wijsheid gegeven. In de minnebrand is men bereid alles te lijden wat men kan lijden, opdat men mag verkrijgen wat men mint. Orewoet, dat is een inwendige ongedurigheid, die niet naar rede wil luisteren en de rede niet wil volgen, tenzij zij verkrijgt wat zij bemint. Innerlijke orewoet verteert het hart van de mens en drinkt zijn bloed. In heel het menselijk leven voelt men hier de innerlijke hitte het meest. De lichamelijke natuur wordt heimelijk gekwetst en verteert, zonder uitwendige oorzaak. In de orewoet rijpt de vrucht van de deugden sneller dan bij al de wijzen die hiervoor getoond werden. (Uit: Die gheestelike brulocht)

Het leven van minne en genieten voltrekt zich tussen werken en ledig zijn. Minne wil altijd werken, want zij is een eeuwig werk met God. Genieten moet altijd ledig zijn, want boven willen en begeren is het het omhelzen van de beminde in de Beminde, in een ongebeeld, bloot minnen, waar de Vader met de Zoon zijn beminden omgrepen heeft in de genietende eenheid van zijn Geest, boven de vruchtbaarheid van de (goddelijke) natuur. Daar spreekt de Vader in eeuwig welbehagen tot elke geest: 'Ik ben jij en jij bent mij. Ik ben van jou en jij bent van mij: Ik heb je eeuwig uitverkoren.' Zie, daar is zo'n grote onderlinge blijdschap en behagen tussen God en zijn beminde geesten, dat deze zichzelf ontgeesten, versmelten en zichzelf ontvlieten en één geest met God worden in genieten, eeuwig (naar God) geneigd in de grondeloze zaligheid van zijn wezen. Zie, dit is één wijze van genieten, die van de levende schouwende mensen.
Er is nog een andere wijze die innige, vrome mensen, die naar Gods liefste wil volmaakt zijn in de liefde, leidt tot een genieten van God. Dit zijn de mensen die zichzelf verloochenen en verzaken en alle schepselen die zij met lust en met liefde mochten bezitten, en al wat God geschapen heeft, in zoverre dit kommer en hindernis mocht zijn voor hun inwendig leven waarin zij God dienen. Hier bovenuit zijn zij in God verheven, met hartelijke liefde, met levende ziel, met hun gemoed verheven boven alle hemelen, met al hun krachten, in brandende minne, met opgeheven geest, in ongebeelde gedachten. Daar is de wet van de minne volbracht en zijn alle deugden volmaakt. Daar zijn wij ledig en woont God, onze hemelse Vader, in ons in de volheid van zijn genade en wonen wij in Hem boven al onze werken in een genieten. Christus leeft in ons en wij in Hem. In zijn leven overwinnen wij de wereld en alle zonden. Met Hem zijn wij opgericht in minne tot onze hemelse Vader. De Heilige Geest werkt in ons en wij met Hem al onze goede werken. Zonder woorden roept Hij in ons met luide stem: 'Bemint de minne, die u eeuwig mint.' Zijn roepen is een inwendig aanraken in onze geest. Die stem is vreselijker dan de donder. De bliksemstralen die daaruit komen, openen de hemel en tonen ons licht en eeuwige waarheid. De hitte van zijn aanraken en zijn minnen is zo groot, dat zij ons geheel wil verbranden. Zijn aanraken in onze geest roept zonder ophouden: 'Betaalt uw schuld, mint de minne die u eeuwig bemint heeft.' Hiervan komt een grote ongedurigheid van binnen, die ons gelaat en ons gedrag verlamt. Want hoe meer wij minnen, hoe meer wij willen minnen. En hoe meer wij betalen wat minne van ons eist, hoe meer wij schuldig blijven. Minne zwijgt niet stil, zij roept eeuwig en zonder ophouden: 'Bemint de minne.' Deze strijd is onbekend aan mensen die anders gezind zijn.
Minnen en genieten, dat is werken en ondergaan. God leeft in ons met zijn genade: Hij leert, Hij raadt, Hij gebiedt ons dat wij minnen. Waar wij ondergaan en genieten, leven wij in Hem boven genade en boven onze werken. In ons leeft kennen, minnen, schouwen en neigen. Boven dit al leeft genieten. Ons werken is God beminnen. Ons genieten is het de omhelzing in Gods minne te ondergaan. Het onderscheid tussen minnen en genieten is als het onderscheid tussen God en zijn genade. Waar wij God met minne aankleven, daar zijn wij geest, maar waar Hij ons ontgeest en overvormt met zijn Geest, daar zijn wij genieten.
De Geest blaast ons uit (het genieten) om te beminnen en om de deugden te beoefenen en Hij trekt ons weer in zich om te rusten en te genieten. Dit is eeuwig leven, zoals wij de lucht die in ons is uitademen en weer nieuwe lucht inademen; daarin bestaat ons sterfelijke, natuurlijke leven. Al wordt onze geest ontgeest en houdt hij in het genieten en in de zaligheid op met zijn werken, hij wordt voortdurend vernieuwd in genadegaven, in liefde en in deugden. En daarom: ingaan in een ledig genieten en uitgaan in goede werken en altijd verenigd blijven in de Geest van God, dat is wat ik bedoel. Zoals wij onze lichamelijke ogen open doen, zien, en weer dicht doen, zo snel dat wij het niet gewaar worden, zo sterven wij in God, leven wij uit God en blijven wij altijd één met God. Zo zullen wij uitgaan tot ons zintuiglijke leven, ingaan met minne en God aankleven, en zonder beweging in God verenigd blijven.
Zie, dit is het edelste gevoelen dat wij in onze geest kunnen ervaren of verstaan. Toch moeten wij altijd op- en neer gaan op de trappen van onze hemelse graden in inwendige deugden en in uitwendige goede werken, volgens Gods geboden en de verordening van de heilige kerk, zoals ik hiervoor al gezegd heb.
Dankzij de gelijkheid van onze goede werken zijn wij met God verenigd in zijn vruchtbare natuur, die altijd werkzaam is in de drieheid der Personen, en die alle goed tot stand brengt in de eenheid van zijn Geest. Daar zijn wij gestorven aan de zonde in één geest met God. Daar worden wij opnieuw geboren uit de Heilige Geest, uitverkoren zonen Gods. Daar zijn wij aan onszelf ontgeest en hebben de Vader met de Zoon ons omhelsd in eeuwige minne en in genieten. En dit werk is altijd nieuw: beginnend, werkend en volmaakt. Hier zijn wij zalig in kennen, in beminnen en in genieten met God.
In het genieten zijn wij ledig. Dat werkt God alleen, omdat Hij alle minnende geesten ontgeest, overvormt en verteert in de eenheid van zijn Geest. Daar zijn wij allen één vuur van minne, dat meer is dan al wat God ooit gemaakt heeft. Elke geest is een brandende kool die God ontstoken heeft in het vuur van zijn grondeloze minne. En allen samen zijn wij één brandende gloed, die nooit meer kan vergaan, met de Vader en de Zoon in de eenheid van de Heilige Geest. Daar ontgeesten de goddelijke Personen zichzelf in de eenheid van hun wezen, in de grondeloze afgrond van eenvuldige zaligheid. Daar is Vader noch Zoon noch Heilige Geest, noch enig schepsel. Daar is niets dan één enig wezen: de substantie van de goddelijke Personen. Daar zijn wij allen één en ongeschapen in ons overwezen. Daar is alle genieten volbracht en volmaakt in wezenlijke zaligheid. Daar is God in zijn enkelvoudig wezen zonder werk, eeuwige ledigheid, wijzeloze duisternis, naamloos Zijn, het overwezen van alle schepselen en de eenvuldige, grondeloze zaligheid van God en van alle heiligen.
Maar in de vruchtbare natuur is de Vader een almachtige God, Schepper en Maker van hemel en aarde en van alle schepselen. En uit zijn natuur baart Hij zijn Zoon, zijn eeuwige Wijsheid, één met Hem in de natuur, een ander in Persoon, God uit God, door wie alle dingen zijn gemaakt. En de Heilige Geest, de derde Persoon, die uit de Vader en de Zoon vloeit, is één met hen beiden naar de natuur. Hij is hun grondeloze minne, waarin zij onderling eeuwig omhelsd zijn in minne en genieten en wij allen met Hen: één leven, één minne, één genieten.
God is één in zijn natuur, drieheid in vruchtbaarheid, drie Personen, in onderscheid gedeeld. En die drie Personen zijn eenheid in de natuur, drieheid in hun eigendommen. De drie eigenschappen van de vruchtbare natuur Gods zijn drie Personen, in naam en met onderscheid gedeeld en nochtans één in de natuur en in de werken. Elk der personen heeft heel de natuur in zich. Zo is Hij almachtig God uit kracht der natuur, niet naar persoonlijk onderscheid. En de drie personen hebben ongedeeld één goddelijke natuur. Daarom zijn zij één God naar de natuur en niet drie goden in onderscheid der Personen. Zo is God drie in namen en in Personen en één in natuur. En Hij is drieheid in zijn vruchtbare natuur en die drieheid is eigendom van de Personen en is eenheid in de natuur. En die eenheid, dat is onze hemelse Vader, de almachtige Schepper van de hemel en de aarde en alle schepselen. Hij leeft en heerst in ons, eenheid in drieheid, drieheid in eenheid, geweldig God, in het opperste van onze geschapenheid. Hem moeten wij zoeken, vinden en bezitten door zijn genade en de hulp van onze Heer Jezus Christus, in christelijk geloof, met zuivere mening, in ongeveinsde liefde.
Dankzij ons deugdzaam leven en Gods genade leven wij in Hem en Hij in ons, met al zijn heiligen. Zo zijn wij allen één samengevoegde eenheid met Hem in minne. En de Vader met de Zoon hebben ons omvat, omhelsd en overvormd in de eenheid van hun Geest. Daar zijn wij met de goddelijke Personen één minne en één genieten. Dit genieten is volmaakt in het wijzeloze wezen van de Godheid. Daar zijn wij allen met God één eenvuldige wezenlijke zaligheid. Op de wijze van de persoonlijkheid is daar noch God noch schepsel. Daar zijn wij allen met God zonder onderscheid één grondeloze eenvuldige zaligheid. Daar zijn wij allen verloren, ontzonken en ontvloten in een onbekende duisterheid. Dat is het hoogste dat men leven en sterven, beminnen en genieten kan in eeuwige zaligheid. (Uit: Van VII Trappen)