Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Johannes Tauler (1300-1361)  
  Johannes Tauler (1300-1361)  

De preken die Johannes Tauler in de zusterkloosters van Straatsburg hield, cirkelen rond de vraag hoe de mens de eenheid met God kan bereiken. De eerste stap is zelfkennis, het deemoedig weet hebben van de kleinheid van het schepsel. De tweede is inkeer, het vertrouwd worden met de innerlijke mens en steeds meer vanuit de innerlijkheid gaan leven. Zo wordt de mens vertrouwd met het hoogste, het godvormige in zichzelf. Als hij alles doet wat hij kan, stoot hij op de grens van zijn vermogens. Hij loopt dood, put zich uit, wordt tot niets, wordt in de diepten van het menszijn getrokken. Die afgrond wordt verdiept en opgevuld door Gods grondeloze afgrond. Daar wordt de mens in binnengetrokken, hij verzinkt erin en wordt overspoeld door God zelf, zozeer dat hij 'godkleurig' en aan God gelijk wordt en het onderscheid tussen zichzelf en God niet meer kan zien.
Tauler benadrukt dat hij niet over de grens gaat die de kerk trok: de vereniging voltrekt zich door Gods genade en betreft niet de natuur en het wezen. Dat neemt niet weg dat God de mens geheel overkleedt, zozeer dat als hij zichzelf waarneemt, hij slechts God ziet.

Waar de mens louter innerlijk op God uit is, kan niets hem hinderen of storen. Dan komt de zon nog helderder en werpt haar hitte op deze vrucht en maakt haar steeds doorzichtiger. Dan wordt de zoetheid steeds zoeter en wordt de schil dun. Uiteindelijk wordt de schil zo dun, dat Gods blik zonder ophouden heel nabij is. Hoe vaak en hoe snel men zich ook omkeert, steeds vindt men van binnen de goddelijk zon helderder schijnen dan alle zonnen aan de hemel ooit gestraald hebben. Zo wordt heel de menselijke wijze vergoddelijkt, zodat hij niets zo waarachtig ervaart en smaakt en zo wezenlijk kent dan God, ver boven verstandelijk weten en wijze.
Daarop neemt men de bladeren weg, zodat de zon zich zonder enig middel op de vrucht kan gieten. Zo valt voor deze mensen alle bemiddeling weg en zij ontvangen alles zonder middel. Hier valt het gebed weg en het voorbeeld van de heiligen en alle wijzen en oefeningen. De mens moet deze echter niet eerder afwerpen dan wanneer zij uit zichzelf afvallen. Dan wordt daarna de vrucht zo onuitsprekelijk zoet, dat geen verstand het kan begrijpen. Het gaat zo ver, dat de geest in deze mens zo verzinkt, dat hij het onderscheid verliest. Zo wordt hij één met de zoetheid van de Godheid, zijn zijn wordt van het goddelijk Zijn zo doordrongen, dat hij zich verliest, zoals een druppel water in een groot wijnvat. Zo wordt de geest verzonken in God, in goddelijke eenheid, zodat hij alle onderscheid verliest en al wat hem daarheen gebracht heeft, verliest dan zijn naam, zoals deemoed, liefde en hij zelf. Er is dan nog slechts een zuivere, stille eenheid zonder enig onderscheid.

Christus sprak ook: 'Jullie zullen mijn getuigen zijn in Samaria' (Hand. 1,8). Samaria betekent vereniging met God. Dat is het meest ware en zekere getuigenis, dat men met God in waarheid verenigd is. Daar ontvlucht de geest zich zelf en alle schepselen, want in Gods eenheid verliest men alle veelvormigheid en wordt men boven veelvormigheid verheven. In dit getuigenis worden die hogere vermogens van de ziel omhoog gevoerd in de hemel, waar de Heilige God verenigd is. Daar ontvangen zij hun zaligheid, genieten God in de waarheid en trekken de lagere vermogens van de ziel naar zich toe, in de mate dat dit hen mogelijk is. Dan kan de mens (in God) vergaan en heeft hij niets meer nodig dan God te loven om alle liefdevolle bijzondere gaven, die de Heer hem verleend heeft. Want hij erkent dat zij van God zijn en schrijft zichzelf in het geheel niets daarvan toe.
Daarna wordt hij in de andere hemel gevoerd, in het goddelijk wezen. Daar verliest de geest alles zozeer, dat hij zichzelf geheel verliest en daar verzinkt hij. Hoe het hem daar vergaat, wat hij daar ervaart, smaakt en voelt, daarvan kan niemand spreken en niemand kan het zich voorstellen of begrijpen. Hoe zou iemand dat kunnen begrijpen of weten? De geest weet het zelf niet, want hij is zozeer versmolten in de goddelijke afgrond, dat hij niets weet, voelt of smaakt dan de ene, zuivere, onverhulde enkelvoudige God.
Daarna kijkt de geest weer ver terug in de allerdiepste grond van de allernederigste oefening, die hij zich ooit heeft voorgenomen, om te zien of hem niet iets overgebleven is, dat opgevuld en op andere wijze voortgebracht en opgefrist zou kunnen worden. Zo hangt de mens midden tussen hemel en aarde. Met zijn hogere vermogens is hij boven zichzelf en alle dingen verheven en woont hij in God, met zijn lagere vermogens echter is hij onder alle dingen vernederd in de grond van de deemoed en is hij als een beginneling, met de allernederigste oefeningen bezig, waarmee hij vroeger ooit begonnen is. Hij verkleint niets, hoe gering het ook is, en bezit in alles ware vrede. Zo is hij een waarachtig getuige van onze Heer, dat Hij van de hemel omlaag is gekomen en weer naar de hemel en boven alle hemelen is opgevaren. En allen die daar willen komen, moeten met Hem verenigd worden en in Hem en met Hem en door Hem daar komen.

(Het Onze Vader) is het meest geschikt als het ware, wezenlijke gebed. Het is een hemels gebed, men zegt en overweegt het onafgebroken in de hemel. Het is een waarachtig opstijgen naar God, het heft de geest omhoog, zodat God in waarheid en werkelijkheid in het zuiverste, innigste, edelste deel kan binnengaan, in de innerlijkste grond, waar alleen eenheid is. (...)
In de edele, vreugdevolle afgrond, in het hemelse rijk, daar zinkt de vreugde (in de ziel), daar is haar verblijfplaats in alle eeuwigheid. Daar wordt de mens zo stil, zo wezenlijk, zo bezonnen, zo afgescheiden en zo naar binnen gezogen, opgericht in louter zuiverheid en ledigheid, vol overgave in alle dingen, want God is zelf aanwezig gekomen in dat edele rijk en werkt en woont en heerst daar. Deze toestand kan niet met de vroegere vergeleken worden, want de mens verkrijgt nu een waarlijk goddelijk leven en zijn geest versmelt hier geheel en ontbrandt in alle dingen en wordt binnengezogen in het hete liefdesvuur, dat naar zijn wezen en natuur God zelf is.
Van daar dalen (deze mensen) dan weer af naar alle nood van de heilige christelijke wereld en gaan met heilig gebed en verlangen naar alles waarvoor God gebeden wil worden. (...) Zo gaan zij heen en weer en blijven toch altijd in de lieflijke, stille afgrond. Daar is hun wezen, daar hun leven, daar ook al hun werken en hun beweging. Waar men ze ook tegenkomt, men vindt niets dan goddelijk leven in hen. Hun gedrag, hun doen, hun wijze is geheel goddelijk. (..) Zij wonen in God en God in hen.

De mens die vooraf geoefend heeft en zich in zijn natuur en geestelijke vermogens gereinigd heeft, komt in een lieflijk verzinken. Als dan de natuur het hare doet, maar niet meer verder kan en op haar hoogste punt is aangekomen, komt de goddelijke afgrond en laat zijn vonken in de geest waaien. Door de kracht van deze bovennatuurlijke hulp wordt de verlichte en gelouterde geest aan zijn zelf onttrokken en tot een bijzonder, gelouterd, onuitsprekelijk Godsverlangen gevoerd. (...) In deze omkeer verzinkt de gelouterde, verlichte geest in de goddelijke duisternis, in stilzwijgen en in een onbegrijpelijk en onuitsprekelijk verenigen. In dit verzinken houdt alle gelijkheid en ongelijkheid op, in deze afgrond verliest de menselijk geest zichzelf en weet van God noch van zichzelf niets meer van gelijk of ongelijk noch van iets anders. Want hij is in Gods eenheid gezonken en heeft alle onderscheid verloren.
Wie dit wil ervaren, moet aan alle schepselen en aan zichzelf sterven en slechts God leven.

Een munt toont zijn beeld onbedekt. Dit beeld is niet alleen dat de ziel naar God is gevormd, maar het is hetzelfde beeld dat God in zijn eigen, zuivere, goddelijke wezen zelf is. Hier, in dit beeld, bemint God zichzelf, kent God zichzelf, geniet God zichzelf; God leeft en is en werkt in de ziel.
Daardoor wordt de ziel godkleurig, goddelijk, goddig. In de vereniging wordt zij door genade al wat God van nature is, in het inzinken in God. Zij wordt boven zichzelf uit in God binnengehaald. Daar wordt zij godkleurig. Als ze zichzelf zou zien, zou ze zichzelf voor God houden. Wie haar zou zien, zou haar zien in het gewaad, de kleur, de wijze en het wezen van God, door genade, en zou zalig zijn in deze aanschouwing, want God en de ziel zijn één in deze vereniging, door genade, niet van nature. (...) De zuivere, goddelijke, ledige ziel zal eeuwig als God gezien worden. Al haar innerlijke en uiterlijke zaligheid neemt zij in deze vereniging, en zij zal zichzelf voor God aanzien, want God en zij zijn één in deze vereniging.

De heilige Paulus spreekt: 'De deugd wordt volbracht in zwakheid' (2 Kor. 12, 9). Deze zwakheid is echter niet het gevolg van uitwendige oefening, maar van de overstromende overmaat van de Godheid, die deze mens zo overgoten heeft, dat het arme aardse lijf het niet kan verdragen. Want God heeft deze mens zo geheel in zich getrokken, dat de mens in al wat in hem is godkleurig wordt. Het wordt op een bovenwezenlijke wijze doorgoten en overvormt, zodat God het werken van deze mens werkt. Zo iemand noemt men met recht een godvormig mens, want wie deze mens op de juiste wijze ziet, ziet hem als God – alleen door genade -, want God leeft en is en werkt in hem al zijn werken en geniet zichzelf in hem. (...)
Hierbij valt de mens in zijn grondeloos niets. Hij wordt zo klein, zozeer niets, dat hij aan al wat hij ooit van God ontving ontvalt en het geheel aan God, aan wie het ook toebehoort, teruggeeft, als had hij het nooit gehad, en wordt zo niets en naakt, als dat wat niets is en nooit iets ontving. Daar verzinkt het geschapen niets in het ongeschapen Niets. Dat is niet wat men kan begrijpen of in woorden kan uitspreken. Hier wordt het woord van de profeet waar: 'de ene afgrond leidt de andere in zich binnen' (Psalm 42,8). De geschapen afgrond leidt de ongeschapene in zich binnen en beiden worden één, één zuiver goddelijk wezen. Daar heeft de geest zich in de Geest van God verloren. Hij is verdronken in de grondeloze zee.

Het goud, waarmee wij deze liefde vergelijken is zo gepolijst en glanzend, dat men het amper aan kan zien. Zijn glans is te sterk voor onze ogen. Zo vergaat het de geest in deze sterke liefde van de aanwezigheid van de Heer. Zij schijnt zo wezenlijk in de grond, dat de geest het in zijn menselijke zwakheid niet kan verdragen. Hij moet daar uit nood versmelten en weer in zijn onmacht teruggeworpen worden. Daar heeft de geest dan geen ander stutsel dan te verzinken en verdrinken in de goddelijke afgrond en zich daarin te verliezen, zodat hij niet meer van zichzelf weet, want het beeld van God, dat deze liefde beantwoordt, is hem overmachtig. Dan doet hij als Elia, toen hij in de ingang van de grot stond (1 Kon. 19,13), dat wil zeggen in zijn menselijke zwakheid voor de deur van Gods aanwezigheid. Daar trok hij zijn mantel over zijn ogen, dat wil zeggen dat de geest zichzelf en zijn eigen werkzaamheid niet meer kent. God moet alle dingen in hem werken, in hem kennen en liefhebben, want de menselijke geest is in deze sterke liefde aan zichzelf ontzonken in de Beminde, als een druppel water in de diepe zee. Hij is veel meer één met Hem geworden dan de lucht met de helderheid van de zon, wanneer die bij heldere dag schijnt. Wat daar gebeurt, dat kan men gemakkelijker ervaren dan erover spreken.
Wat blijft de mens hier over? Slechts een afgrondig vernietigen van zichzelf en een geheel verloochenen van alle eigenschappen van wil en gemoed, in wijze en in leven. Want in deze verlorenheid verzinkt de mens tot op de bodem.