Home >> Vertalingen: Christelijke mystici >> Willem Jordaens (ca. 1321-1372)  
  Willem Jordaens (ca. 1321-1372)  

Willem Jordaens (ca. 1321-1372) stamde uit een adellijk Brabants geslacht. In Parijs werd hij magister in de theologie. In 1351 trad hij in in Groenendaal, waar hij de medebroeder van onder andere Ruusbroec werd. Hij vertaalde een aantal van diens werken in het Latijn en schreef ook zelf over het mystieke verlangen. Zijn De mondkus sluit aan bij Bernardus' commentaar op het Hooglied. Uitvoerig beschrijft hij het verlangen van de ziel naar God, die Hem echter niet kan zien, want hier op aarde is de hoogste Godskennis voor de mens een volkomen niet-kennen. In liefdevolle dialogen, gemodelleerd naar passages uit de evangeliën, stijgt de ziel via het kussen van Gods voeten, waar zij barmhartigheid ontvangt, en handen, waar zij honger en dorst naar gerechtigheid en de deugden verwerft, op naar de goddelijke mond, waarnaar ook de bruid uit het Hooglied verlangde. In enkele zinnen duidt hij de mystieke vereniging aan.

Dan fluistert de ziel weer en zegt: 'Zie hier de dienstmaagd Gods, mij geschiede, Heer, naar uw woorden (Lc 1,38). Ik wil leven in hoge hoop, o Heer, op uw woord. Gedenk uw woord, waarmee gij mij hoop hebt gegeven (Ps. 119,49). Graag wil ik onder uw tafel liggen als een hondje, met geduldig hopend verlangen en de kruimels nemen die voor mij van uw tafelen zouden kunnen vallen (Mt. 15,27) en spreken als uw bruid in het Hooglied: 'Ik zit onder de schaduw van degene naar wie ik verlang en zijn vrucht is zoet voor mijn keel' (Hl. 2,3). Want Heer, ook zo spreekt uw bruid: 'Uw borsten zijn beter dan wijn en en ruiken beter dan de beste zalf' (Hl. 1,2). Dat wil zeggen: uw vriendelijk aanraken en de zekere hoop waarmee Gij mij voedt en troost is mij beter en genoeglijker dan de wijn van het kennen door middel van beelden en ruikt en smaakt mij beter dan de edelste smaak die ik uit kennis door middel van beelden zou kunnen krijgen. Daarom wil ik graag al dergelijke kennis en smaak opgeven en uw borsten zuigen. Als Gij mij dan niet een helder zien van uw glorieus aanzijn wilt tonen, zo bid ik u wat de bruid bad toen zij sprak: 'Hij kusse mij met de kus van zijn mond' (Hl. 1,2), want die borsten zijn beter dan wijn. Zij ruiken beter dan de allerbeste zalf. Geef mij, Heer, een kus, want al kan men in de duisternis niet zien, in de duisternis kan men kussen.'
Daarop geeft onze Heer haar zijn mond te kussen, dat is zijn onbemiddelde, onbekende tegenwoordigheid te beminnen. En zij laat al haar verlangens en fluisteringen varen en neigt haar mond, dat is haar naakte, ongebeelde tegenwoordigheid met een minnelijk inzinken van haarzelf in God. Daar kussen God en de minnende ziel elkaar, want de ziel wordt daar zonder middel met God verenigd in de eenheid van minne en zij wordt God in de Alheid van de Godheid, of, beter gezegd, vergoddelijkt (ghegodt) met de Alheid van de Godheid.