Home >> Deugden  
  Deugden  


Deugden zijn richtingwijzers naar een volheid van leven die slechts door de deugden bewerkstelligd kan worden. Dit proces lijkt zich eindeloos te verdiepen. Het is alsof de deugden zelf steeds nieuwe levensgebieden ontsluiten die erom vragen geoptimaliseerd te worden.

De korte teksten over een aantal deugden op deze pagina zijn afkomstig uit De Levensboom van de deugden, dat in 2007 verscheen bij Amphora Books.
Toegepast op de mens is de Levensboom een ontwikkelingsmodel, waarin het lichaam, het ego, het Zelf, het geestelijke en het goddelijke centraal staan.

Op de top van zijn vermogens raakt de mens aan het goddelijke, deelt hij in de eigenschappen van God zelf. Maar vóór wij daar zijn, hebben wij een lange weg te gaan.
.

 

Schoonheid
Lichamelijke schoonheid suggereert dat zij de hoogste deugd is, dat zij voldoende is voor een gelukkig leven. Hoe we eruit zien, is bepalend geworden voor onze identiteit. In onze tijd cultiveren zowel vrouwen als mannen de schoonheid van hun lichaam op een wijze die veel overeenkomsten heeft met hoe vroeger de wijzen en de vromen de schoonheid van hun ziel nastreefden door zich toe te leggen op de deugden.
Doordat het schone gedefinieerd is binnen nauwe grenzen – slanke jonge vrouwen en gespierde leeftijdsloze mannen – is het besef van veel andere uitingen van lichamelijke schoonheid, zoals een verstilde blik, een fijnzinnige glimlach of het verrimpelde gelaat van mensen die verzoend zijn met hun ouderdom, op de achtergrond geraakt.
De schoonheid van het Zelf relativeert de uiterlijke schoonheid. Ware schoonheid is innerlijk. Uiteindelijk kan alleen de innerlijke schoonheid uiterlijke schoonheid op een hoger plan brengen.
Een andere invalshoek om de band tussen het Zelf en schoonheid te verstaan is dat het Zelf de mens opent naar het spirituele. Iets van de glans daarvan straalt af op de mens die zich daarmee weet te verbinden.

Bescheidenheid
Een mens is afhankelijk van zijn omgeving. Het ego moet leren een reële inschatting te maken van wat het wel en niet kan en van zijn eigen prestaties ten opzichte van de kwaliteiten van anderen. Het leven zelf is de werkplaats waar dit gebeurt. Als het leven hem bescheidenheid leert, slaagt een mens erin uit zijn zelf gecreëerde centrum te stappen en zijn plaats in te nemen in de grotemensenwereld. Een bescheiden mens weet dat hij aan zichzelf overgelaten niet in leven kan blijven, dat hij anderen nodig heeft. Hij vertrouwt op hun capaciteiten om het complexe raderwerk van de samenleving in stand te houden, zodat in ieders levensonderhoud voorzien kan worden. Hij heeft geleerd te vertrouwen.

Omkeer
De ommekeer van de egoïstische oriëntatie op zelfbehoud en behoeftebevrediging naar toeleg op de deugden is een grote, fundamentele verandering van levenshouding. Een belangrijk aspect daarvan is de overstap van de gerichtheid op jezelf naar de gerichtheid op de ander. In de godsdienstige tradities wordt zij beschouwd als een bekering. Een verwant begrip vinden we ook bij de wijsgeer Plotinus, die leefde in de derde eeuw van onze jaartelling. Hij zag deugden 'als voortvloeisels uit het voltooide proces van reiniging.' Daarom, zo vervolgde hij, 'moeten alle deugden door reiniging ontstaan, anders zou geen ervan volmaakt zijn' (Enneaden, I 2,7).

Matigheid
Als de mens begrepen heeft dat hijzelf en zijn behoeften niet het laatste woord hebben, opent de deugd van de matigheid zich voor hem. Onze tijd schreeuwt om de beoefening daarvan. De innerlijke dynamiek van de consumptiemaatschappij zet ons aan tot steeds meer. Zij sluit aan bij de begeerten van het lichaam en maakt ons tot de slaaf daarvan. Omdat het ego geneigd is zich aan te passen aan de meerderheid, is het extra moeilijk zich hiertegen te verzetten.
Op macroniveau hebben we decennia lang geen rekening gehouden met de eindigheid van de grondstoffen en de toenemende milieuverontreiniging. Het kapitalistisch systeem bestaat bij de gratie van groei. Zelfs het zoeken naar duurzame technieken belooft nieuwe winsten...
Ook psychisch stoten wij soms spontaan op onze grenzen, bijvoorbeeld als wij innerlijk moe worden van al die reclames of van verre vakanties. Dat zijn momenten waarop wij beginnen in te zien dat wij van het ongebreidelde najagen van aangekweekte behoeften niet echt gelukkig worden. Minder goederen bezitten maakt ons gelukkiger als het leidt tot meer menszijn, in de zin van een zich verdiepende aandacht voor ons innerlijk.

Tolerantie
Het ego is van nature niet verdraagzaam. Het kan niet verder kijken dan de eigen opvattingen en die van de groep waartoe het behoort. Die beschouwt het als goed. De consequentie is dat alle andere opvattingen fout zijn. Maar een vriendelijk mens spreekt geen oordelen uit. Daarom kan verdraagzaamheid, die in haar volle ontplooiing een aspect van het Zelf is, tot een deugd van het ego worden, als dat inziet dat het zich, omwille van de lieve vrede, daar maar beter op toe kan leggen.
De stam van de woorden verdraagzaamheid en tolerantie is verdragen, verduren. Het gaat om iets dat je onprettig vindt, namelijk om andere opvattingen of gebruiken dan de jouwe, die je niet kunt waarderen. Je bent bereid ze te tolereren omdat je inziet dat de ander net zo veel recht heeft op zijn eigen opvattingen en gewoonten als jij. Dan is tolerantie niet meer een afgedwongen iets, wat het vanuit het ego nog is, maar iets dat voortkomt uit het Zelf.
De vraag wat wel en wat niet getolereerd kan worden, is een kwestie van onderscheiding, dus opnieuw van het Zelf.

Eros, kuisheid
De Eros is de gepassioneerde liefde. De Eros zelf vraagt om een zekere mate van kuisheid, waarbij deze niet verschijnt als haar tegenhanger, maar als een bondgenoot. Kuisheid is de houding die ons in staat stelt de seksuele partner te zien als persoon en niet uitsluitend als het object van ons verlangen. Zij ligt evenzeer in het verlengde van de matigheid als van de Eros. Door de kuisheid worden wij niet de slaaf van onze begeerten en leren wij onze seksualiteit te integreren in een evenwichtig leven.

Voorzichtigheid
De traditie hechtte veel waarde aan deze praktische deugd. Volgens Thomas van Aquino heeft zij te maken met vooruitziendheid. De voorzichtigheid houdt rekening met onvoorziene factoren die zich ieder ogenblik voor kunnen doen. Zij leert van het verleden en van het heden en bereidt ons voor op de toekomst. Zij maakt een reële inschatting van het gevaar van een bepaalde situatie. Waar zij overdrijft, wordt zij tot vreesachtigheid.
Onze aandacht en voorzichtigheid zijn echter zo kwetsbaar dat zij onvoldoende zijn om ons door al de gevaren van het leven te loodsen. Veel vaker dan wij ons realiseren, is er een verborgen hand nodig om gevaar af te wenden. Het is alsof er krachten in het universum werkzaam zijn die mensen behoeden voor ongelukken. Ons leven is één grote wisselwerking van fysieke, psychische en spirituele krachten. Zij behoeden ons echter niet altijd voor narigheid, omdat zij weten dat tegenslag en beproevingen het vermogen hebben ons innerlijk te sterken.

Redelijkheid
Het ego is niet redelijk. Het kan niet verder kijken dan de kring waartoe het behoort en het kan geen abstractie maken van zijn eigen positie. Daarentegen kan een redelijk mens onder de meest uiteenlopende omstandigheden gebruik maken van zijn verstandelijke vermogens en zich in zijn leven laten leiden door redelijke inzichten. In die zin is de redelijkheid als het ware het voorbereidend onderwijs voor de hogeschool van het Zelf, waar het ego onder de heerschappij van het Zelf wordt geplaatst.

Humor
De humor van het rationele verstand is vaak koud, hard en cynisch. Meedogenloos, voorbijgaand aan alle verzachtende omstandigheden, stelt hij mensen en situaties in het schelle licht van hun lachwekkendheid. Aangestuurd door het ego maakt hij zich vrolijk over anderen, ter meerdere eer en glorie van de eigen vermeende superioriteit, zonder de eigen positie te relativeren. Of humor ontaardt in cynische zelfspot, als het respect naar zichzelf ontbreekt.
Voor het Zelf is humor een hulpmiddel om te relativeren, om eigenwaan en schone schijn door te prikken en om zichzelf, anderen en de ons omringende werkelijkheid te zien in het licht van hun betrekkelijke waarheid. Humor is de deugd van de relativiteit, van de steeds wisselende, veelvormige betrekkingen. Zo doet hij ons delen in de beweeglijkheid van het universum en bevrijdt hij ons zowel van het dwingende gelijk van de rede als van de krampachtige importantie van het ego. Zo is de humor aan de mens geschonken als een hulpmiddel om hem verder te helpen in zijn ontwikkeling.

Eerlijkheid
De weg van het ego naar het Zelf wordt soms in verband gebracht met eerlijkheid. De overgang van het ego naar het Zelf geschiedt als een mens gaandeweg alle maskers waarover hij beschikt gaat doorzien als uiterlijkheid en ze inruilt voor de naakte waarheid van een leven zonder pretenties. Als we zo iemand zien wanneer we in de spiegel kijken en als we ons zo aan anderen durven presenteren, hebben we de stap van het ego naar het Zelf gezet. Eerlijkheid is dan een houding naar onszelf toe geworden. We kunnen wel denken dat we slim zijn als we erin slagen anderen om de tuin te leiden, maar in feite bedriegen we daarmee allereerst onszelf. Als we durven toegeven wie we zijn en opgeven wat we niet zijn, kunnen we haast niet anders dan eerlijk zijn naar anderen toe.

Stoutmoedigheid, spontaneïteit
Als we het ouderwetse begrip stoutmoedigheid nog als een deugd zien, dan is haar plaats dicht bij de spontaneïteit. Stoutmoedigheid is die vorm van moed die tegen regels in durft te gaan. Zij is niet bang voor de repercussies van de machthebbers. Stoutmoedigheid is nodig voor het realiseren van de droom. 'Wie niet waagt, die niet wint' is haar devies.

Opgewektheid, vreugde, creativiteit
Veel meer dan het denken is het handelen verbonden met opgewektheid, met vreugde. De reden daarvan is dat wij in het handelen onze levensenergie meer kunnen laten stromen. In het handelen ervaren we onze vitaliteit. In eerste instantie hangt vreugde samen met vitaliteit.
In hoogste instantie is vreugde een eigenschap van het universum, waar ieder mens aan kan participeren. Energie is levend, scheppend. Als wij daar contact mee kunnen maken, ontwaakt ook onze creativiteit en worden wij, op welke wijze dan ook, scheppend.
Scheppend bezig zijn gaat gewoonlijk gepaard met de ervaring van vreugde. Schepping is expansie en de ervaring van expansie is vreugdevol. En schepping appelleert aan schoonheidservaring, die ook weer gekoppeld is aan de ervaring van vreugde. Vreugde is inherent aan het menselijke scheppingsproces omdat het inherent is aan het universum.

Integriteit, betrouwbaarheid
Het pad tussen het ego en het Zelf wordt wel het pad van integriteit genoemd. Dit woord functioneert als een soort verzamelbegrip van deugdzaamheid. Ook Van Dale geeft er een brede inhoud aan: rechtschapenheid, onomkoopbaarheid, ongeschonden toestand. Door de toeleg op de deugden vindt een herstel plaats van de integriteit, die door niet-integere daden is geschonden. Al het karma dat een mens met zich meedraagt, is veroorzaakt door niet-integere handelingen, waardoor hij zijn ziel heeft beschadigd.
Om tot het Zelf te komen, moet een mens een zekere mate van integriteit verwerven. Alle woorden, daden en nalatigheden die niet integer zijn, zijn even zovele krachten die hem uit zijn centrum verwijderd houden, omdat zijn ziel ze niet kan verdragen. Als een mens ze doet, trekt zijn ziel zich terug achter dichtere sluiers van onbewustzijn en blijft de poort naar het Zelf gesloten. Omgekeerd is een integere levenswandel een krachtig hulpmiddel bij het gaan van de weg van bewustzijnsontwikkeling.
Het Zelf heeft de potentie de onderliggende vermogens aan te sturen. Daartoe wordt het op zijn beurt geleid door de hogere vermogens, die zijn werking verdiepen, zodat deze niet alleen op het psychische en praktische functioneren gericht is, maar eveneens een spirituele dimensie bevat, die op haar beurt weer verwijst naar het goddelijke. Integriteit deelt in de diepte van het Zelf. In laatste instantie is het een spirituele kwaliteit, die de mens in staat stelt te bestaan voor het aangezicht van de geestelijke krachten die de wereld besturen. Als hij integer blijkt te zijn, zal hij een taak ontvangen waarin hij meer dan voorheen bij kan dragen aan de spirituele ontwikkeling van mensen om hem heen. Vóór het zo ver is, wordt zijn integriteit en standvastigheid getest, zowel in het dagelijkse leven als in bijzondere situaties.

Ingetogenheid
Achter of onder onze gevoelens en emoties ligt een veel stiller werkelijkheidsgebied, ook wel de geestelijke wereld genoemd. Het Zelf is een onderdeel daarvan en de toegangspoort daartoe. Ingetogenheid, dat wil zeggen aandachtigheid voor die stille laag in ons, opent onze ogen voor dieptedimensies. Het persoonlijke domein gaat daarin over in het transpersoonlijke. Daar kunnen ons inzichten in kosmische, universele verbanden en wetten ten deel vallen. Als wij daar enigermate mee vertrouwd raken, kunnen wij ontvankelijk worden voor toekomstige ontwikkelingen op een wijze die de gangbare prognoses, die gewoonlijk gebaseerd zijn op het rechtlijnig doortrekken van hedendaagse tendensen, ver te boven gaan.
De hoogste vorm van aandacht is die voor het goddelijke in deze wereld en voor Gods aanwezigheid in ons eigen innerlijk. Gods stem in ons, zijn aanwezigheid in ons en in de wereld om ons heen is het meest subtiele van al wat is. Aandacht daarvoor is contemplatie en ontvankelijkheid in de hoogste zin van het woord. In die zin staan aandachtigheid en ontvankelijkheid aan het begin van wijsheid en alle hogere kennis.

Fierheid
De mens die met zijn innerlijk vertrouwd en verzoend is, is fier. Hij weet dat hij in laatste instantie van niets dat van buitenaf komt afhankelijk is, dat niets uitwendigs hem zichzelf kan doen verliezen. Niets kan hem zijn innerlijke waardigheid ontnemen.
Het is slechts zeer weinig mensen gegeven de redder te zijn van een natie of de inspirator van een tijdperk. Toch heeft ieder mens de roeping en de kwaliteiten om het stralende middelpunt te zijn van de omgeving waarin hij zijn eigen unieke levensopdracht volbrengt. Wij zijn allen bestemd om koning of koningin te zijn van het koninkrijk van ons leven. Om die positie te bekleden, moeten wij echter wel onze troon bestijgen. Die troon is het Zelf.

Nederigheid
De mens wiens bewustzijn geleid wordt door het Zelf is zich ervan bewust dat hij over zeldzame en kostbare kwaliteiten beschikt. Het is wellicht de belangrijkste bron van zijn fierheid te weten dat hij op het spoor zit van een uiterst zinvolle bewustzijnsontwikkeling. Daarom is het Zelf de plaats van het paradoxale streven naar nederigheid. Als je nederig bent, heb je niet de blik op jezelf gericht en hoef je niet te streven naar nederigheid. Het Zelf weet echter van zichzelf en van zijn relatieve waarde. Juist in dat laatste zit de aanzet tot de nederigheid. Als je weet wat je waard bent, weet je ook hoe relatief dat is, hoe veel meer er nog te weten valt en hoe veel jij niet kunt doen.
Haar afwezigheid in de klassieke filosofie illustreert dat de nederigheid bij uitstek geleerd wordt in de relatie met God. De gelovige mens weet dat zijn autonomie slechts betrekkelijk is en hij erkent God als oorsprong, doel en zin van zijn leven.
Ook in de verhouding tot God heeft de nederigheid een paradoxaal karakter. Comte-Sponville, zelf een atheïst, wijst op de hoogmoed die in de gelovige houding schuilgaat. Je te verheffen tot schepsel Gods is in zekere zin de ultieme truc om ons toevallige bestaan op een bedreigde planeet zin, toekomst en aanzien te geven. Uitgaande van de bewustzijnsstadia zouden we hierop kunnen antwoorden dat deze observatie opgaat voor het ego. Dat is gevoelig voor dergelijke redeneringen. Het Zelf daarentegen wordt eerder bekoord door de autonomiegedachte dan door het gevoel van zinloosheid en kleinheid. Voor het Zelf is de Godsgedachte zowel een vernedering als een onverwachte verruiming van zijn horizon. En als zodanig een ervaring, sterker dan al het bedachte. De voltooiing van de nederigheid ligt daarom niet in wat de mens over zichzelf denkt, al dan niet in relatie tot anderen of tot God, maar in de ervaring van een Werkelijkheid die hem ten enenmale overstijgt.
Op de top van zijn vermogens staat de mens oog in oog met God. In het licht van Gods Aanschijn bereikt hij de totale vervulling van zijn menszijn. En toch is dit geen moment van zelfverheffing of glorie. Integendeel, op de drempel van Gods aanwezigheid wordt een mens meer dan ooit vervuld van het diepe besef van zijn kleinheid, van zijn nietigheid en totale afhankelijkheid als schepsel tegenover zijn Schepper. In vergelijking met God is de mens minder dan een zandkorrel aan het strand van de zee. Al wat hij is en alles wat hij in zijn leven gepresteerd heeft, is als niets tegenover de grootheid van God, waardoor hij nu overspoeld wordt. De mens die hier staat hoeft dit niet meer te bedenken. Hij is ervan doordrongen. Hij hoeft zich niet meer toe te leggen op de nederigheid, hij wordt erdoor overweldigd. Als mensen hem prijzen om zijn goede eigenschappen, dan begrijpt hij dit niet en denkt dat ze zich vergissen. Doordat zijn ogen op God gericht zijn, kan hij zijn eigen kwaliteiten niet meer waarnemen. Nu hij staat voor het aangezicht van God, ziet hij zichzelf niet meer, maar gaat alle aandacht uit naar zijn God.
Deze diepste vorm van nederigheid kan niet anders dan zich uiten in daden. De nederige mens is tot het uiterste vriendelijk, eenvoudig en zachtmoedig in de omgang. Hij vergelijkt zich niet meer met anderen. Het vrijwel automatische mechanisme waardoor mensen elkaar beoordelen, werkt bij hem niet meer, of hoogstens in die zin dat hij zich de minste van allen weet en daar een grote vrede en vreugde in vindt. Hij is niet meer in staat zijn geduld te verliezen of kwaad te worden, laat staan onwaarheid te spreken. In anderen ziet hij het kwade niet meer. Hij kan slechts het goede van hen denken.

Dankbaarheid
Dankbaarheid is de deugd die correspondeert met het ontvangen, in tegenstelling tot de ondeugd van de hebzucht en de houding dat het vanzelfsprekend is dat wij ontvangen, als het ons zonder meer toekomt.
De uiteindelijke gave is het leven zelf. De eigenschappen van al onze vermogens zijn een bron van dankbaarheid. Mensen die ervaringen opgedaan hebben van de verwevenheid van het menselijke met dat wat ons overstijgt, weten dat hun leven meer is dan het lichamelijke en het psychische. Kansen die ons in de schoot werden geworpen. Bescherming en redding in moeilijke situaties. Inzicht en innerlijke vrede. Slechts een mens die dankbaar is kan ze ontvangen.

Tevredenheid, geduld
Een mens die aanwezig is in het hier-en-nu is tevreden met wat hij daar aantreft. Daar staat tegenover dat het Zelf te dynamisch is om lang op dezelfde plaats te kunnen blijven. Aan zijn levensopdracht komt nooit een eind. Elk behaalde doel opent nieuwe mogelijkheden, want het Zelf heeft aansluiting gevonden bij de dynamiek van het leven die ieder mens steeds opnieuw plaatst in situaties waarin hij zich verder kan ontwikkelen. Tevredenheid kan een kortdurend gevoel van voldoening zijn over een geslaagde opdracht, niet een grondtoestand die leidt tot zelfvoldaanheid en luiheid.
Geduld is een betere aanduiding voor de wijze waarop de werkelijkheid ons uitnodigt met haar om te gaan. De mens die met zichzelf en met zijn omgeving in harmonie leeft, heeft alle aanleiding om geduldig te zijn. Vanuit zijn band met de werkelijkheid wacht een geduldig mens de gelegenheid af waarop hij opnieuw in actie moet komen, waarop hij een volgend doel kan realiseren. Hij is niet ongeduldig, forceert niet, maar is alert, om als het moment daar is in te kunnen spelen op de dynamiek van het leven. Aandacht voor het ritme waarin de gebeurtenissen zich afspelen is het middel om daar gevoelig voor te worden.

Evenwichtigheid
Een mens die leeft vanuit zijn centrum is evenwichtig. Hij weet wat hij wil, waarom hij dat wil en meestal ook hoe hij het kan realiseren. Hij raakt niet meer uit evenwicht door innerlijke twijfel, al kent hij die nog wel, omdat hij nog steeds onderhevig is aan de schommelingen van het leven en tegenslagen hem niet bespaard blijven. Die vormen de context waarin de evenwichtigheid zich waar kan maken.
Evenwichtigheid leidt niet tot eigengereidheid. Veeleer stelt zij ons in staat open te staan voor de meningen en de kritiek van de mensen om ons heen. Een evenwichtig mens is bereid zichzelf en zijn projecten ter discussie te stellen, zonder gehechtheid en zonder daardoor in zijn gevoel van eigenwaarde te worden aangetast. Zijn onderscheidingsvermogen doet hem aanvoelen welke opmerkingen nuttige aanvullingen of correcties zijn en welke hem alleen maar af zouden brengen van zijn eigen spoor.
Evenwichtigheid brengt standvastigheid voort. Een mens die weet wat hij wil en dat op evenwichtige wijze nastreeft, is daarin standvastig. Hij laat zich niet verleiden door de waan van de dag, door sociale conventies of door opportunistische buitenkansjes. Standvastigheid is een voorwaarde voor innerlijke coherentie en als zodanig voor het Zelf.

Trouw
Verantwoordelijkheden worden gewoonlijk gevoeld als een last. Toch hebben zij de functie ons leven op koers te houden. Zij zijn als de zwaartekracht, die ons gericht houdt op ons centrum en de stuwkracht die ons voortbeweegt. Op de juiste wijze verantwoordelijkheid nemen draagt bij tot de ervaring van geluk en vreugde.
Daar waar onze opdracht en onze verantwoordelijkheid ligt, wordt trouw van ons gevraagd. Als we dat niet zijn, raken we de band met onze levenslijn en met ons Zelf kwijt en verliezen we onze betrouwbaarheid en integriteit.

Gehoorzaamheid
In tegenstelling tot wat we wellicht spontaan zouden verwachten is gehoorzaamheid bij uitstek een kwaliteit van het Zelf. Het Zelf kan alleen dan de leiding over ons leven op zich nemen als het open staat voor de adviezen die het ontvangt van andere mensen of verneemt in het eigen innerlijk. Gehoorzaamheid aan ons Zelf is trouw zijn aan jezelf en aan de stem van je innerlijk. Meer dan aan uiterlijke instanties zijn we gehoorzaamheid en verantwoording schuldig aan de stem van ons gelouterde innerlijk.

Innerlijke vrijheid
Vrijheid bestaat niet in de eerste plaats daarin dat wij niet door anderen of door omstandigheden belemmerd worden in onze keuzes. In feite zouden wij dan de slaaf van onze verlangens zijn. Door trouw te zijn aan de eisen die het Zelf ons stelt, komen wij vrijer te staan ten opzichte van onze lichamelijke verlangens en van de grillen van het ego. Door te luisteren naar wat het leven van ons vraagt en daaraan gehoor te geven, verwerven we innerlijke vrijheid. En omgekeerd stelt de innerlijke vrijheid ons in staat het goede te doen. Deugden versterken elkaar.

Verstandigheid
Als kardinale deugd is de verstandigheid vooral te karakteriseren als onderscheidingsvermogen. Het is het vermogen om in concrete levenssituaties te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad. De verstandigheid wijst ons de weg doorheen alle schijnwaarden, valkuilen en bekoringen van het leven. Bijna voortdurend is het daarbij nodig waarden tegen elkaar af te wegen.
Ook in het proces van bewustzijnsontwikkeling is de verstandigheid een onmisbare deugd. Als ons oordeel niet evenwichtig is, kunnen we geen onderscheid maken tussen hoofdzaken en bijzaken en verdwalen we op de levensweg. Zo lang we goed en kwaad niet kunnen onderscheiden, blijven we onbetrouwbaar.

Rechtvaardigheid
Veel meer dan de andere deugden heeft de rechtvaardigheid zowel een individuele als een maatschappelijke component. De roep om rechtvaardigheid klinkt in maatschappelijke verhoudingen. Daar spelen altijd conflicterende belangen.
Menselijke verhoudingen zijn rechtvaardig als alle betrokkenen ontvangen wat hen toekomt. Daarbij kan het zowel gaan om materiële goederen als om immateriële zaken als aanzien, gehoord worden of gelijk krijgen.
Mensen zijn rechtvaardig als zij degenen met wie zij op dat moment te maken hebben geven wat hen toekomt.
Uit het feit dat onrechtvaardige situaties vaak slechts met geweld kunnen worden rechtgebogen, blijkt dat onrechtvaardigheid zelf gewelddadig is. Gerechtigheid daarentegen ligt aan de basis van het menselijk samenleven, omdat het de juiste verhoudingen schept en zo vrede mogelijk maakt.

Moed
Het ego is van nature angstig. Volgens sommige psychologen is het zelfs ontstaan uit de angstige ervaring van bestaansonzekerheid, de angst voor vernietiging, voor dood. Alhoewel de meesten van ons in de loop van hun leven veel bewijzen hebben ontvangen van de draagkracht van het leven, blijft bestaansonzekerheid ons vergezellen. Onze ouders zullen ooit wegvallen. Als onze partner in leven blijft, is niet eens zeker of hij of zij wel bij ons blijft. Op maatschappelijke voorzieningen wordt bezuinigd, de beurs kan inzakken, misschien komt er oorlog of een terroristische aanslag…
Wellicht projecteert het ego zijn onbewuste weten dat het ooit plaats zal moeten maken voor een hogere instantie op al deze externe factoren. Om ruimte te geven aan het Zelf moet het ego zijn centrale positie afstaan en de opgebouwde zekerheden en routines relativeren of zelfs helemaal loslaten, zonder te weten wat ervoor in de plaats zal komen. In overdrachtelijke zin is dit een stukje sterven en zo voelt het inderdaad. Moed past niet bij het ego. Daar is het veel te zwak voor. En toch wordt het ervan gevraagd. Er is veel moed voor nodig om het ego los te laten en de overstap naar het Zelf te maken. De enige instantie die deze moed kan mobiliseren is het Zelf. De overstap geschiedt dan ook niet in één keer. Met kleine beetjes moed worden steeds weer kleine stapjes gezet.

Vriendelijkheid
Op een sympathieke, hartelijke wijze omgaan met de mensen die wij ontmoeten, draagt de kwaliteit van de liefde in zich. Het is weldadig om vriendelijk tegemoet getreden te worden. In die houding ervaren we de bevestiging van ons bestaan, vergezeld van de uitnodiging op even vriendelijke wijze in het leven te staan.

Vrijgevigheid
Vrijgevigheid is de bereidwilligheid aan anderen, die dat nodig hebben, te geven van je eigen overvloed. Die houding wordt ook wel aangeduid als edelmoedigheid. De adel van een dergelijk gemoed bestaat dus met name uit vrijgevigheid, die boven de maat van het door de rechtvaardigheid vereiste uitgaat.
Vrijgevigheid is niet uitsluitend een deugd van de rijken. Armen zijn vaak minstens zo vrijgevig als rijken. Vrijgevigheid hangt niet af van de hoeveelheid geld die een mens heeft, maar van zijn deugdzaamheid.

Liefde
Liefde is een houding van uiterste welwillendheid, gekoppeld aan een sterke fysieke en emotionele betrokkenheid, waardoor je graag in de aanwezigheid van de geliefde verkeert en hem of haar het goede toewenst en er veel voor over hebt om daaraan mee te werken.
Onze liefde is mensenwerk. Zij is nog niet volmaakt, nog niet volkomen onbaatzuchtig. Want zij hunkert naar wederliefde. Onbeantwoorde liefde doet ons pijn, al is zij nog altijd te verkiezen boven de eenzaamheid en lusteloosheid waarin wij van niemand en niets houden. Pas als zij beantwoord wordt, is de liefde een bron van grote vreugde.
De liefde neemt vele gestalten aan...

Overgave
Er zijn deugden die het menselijke overstijgen. Op dit transformatiepunt, waar het menselijke zich slechts kan openen naar het goddelijke of wegvluchten, terug naar de beschutting van het vertrouwde bestaan, realiseert de mens zich dat hij zijn leven in het geheel niet in eigen hand heeft. Sterker dan voorheen ervaart hij de dynamiek, die zijn leven voortstuwt en die hem nu gebracht heeft op een punt waar hij slechts verder kan als hij zichzelf uit handen geeft. Nog slechts met één sluier gescheiden van wat hem ten enenmale overstijgt en wat hij niet kan waarnemen en niet kan begrijpen, ziet hij zich genoodzaakt de regie over zijn eigen leven uit handen te geven, zichzelf over te geven in de handen van een God die zich in eerste instantie slechts laat ervaren als een vreemde macht. Dit is een fase van beproeving en angst, een donkere nacht, omdat hij over moet gaan van het bekende naar het onbekende. Pas nadat hij de sprong heeft gewaagd, zal hij nieuwe kennis, inzicht en wijsheid opdoen en opent deze nauwe doorgang zich tot de wijde ruimten van een leven voor Gods aanschijn.
Overgave ligt in het verlengde van vertrouwen. Het is een totaal vertrouwen op God, waardoor een mens een diepe innerlijke vrede kan bereiken en waardoor hij geheel verzoend wordt met de omstandigheden waarin het leven hem geplaatst heeft en met de loop van zijn leven. Hier raken wij aan de paradoxen tussen de vrije wil en de voorzienigheid en tussen vertrouwen op God versus de noodzaak zelf verantwoordelijkheid voor je leven te nemen. In de praktijk is het antwoord daarop eenvoudig: een mens moet zijn wil gebruiken om te kiezen voor het goede, werken alsof alles van hemzelf afhangt en op God vertrouwen alsof alles van God afhangt.

Hoop
Een mens leeft naar de toekomst toe. Hij hoopt op een goede toekomst. Daarom is hoop onlosmakelijk verbonden met zijn levensprojecten. Als zodanig vergezelt de hoop al onze ontwikkelingsstadia. In zekere zin is zelfs het overlevingsinstinct van het lichaam hoop op leven in de toekomst. De toekomstverwachting van het ego overstijgt het heden voornamelijk in kwantitatieve zin. Het hoopt dat zijn verwachtingen bewaarheid zullen worden, dat zijn projecten zullen slagen, dat zijn wensen in vervulling zullen gaan.
Vanuit het Zelf heeft de mens het perspectief om de innerlijke afstand tussen het ego en het Zelf te kunnen peilen. Het is de afstand die hij zelf heeft afgelegd in zijn jarenlange toeleg op de verkenning van zijn innerlijke wegen. In het Zelf heeft hij een rust en een rijkdom ontdekt die meer is dan de vervulling van wat hij vroeger verhoopte. Als zodanig is er in eerste instantie voor het Zelf geen aanleiding meer om te hopen. Maar spoedig blijkt de nieuw verworven innerlijke ruimte zo groot, dat zich bijna dagelijks nieuwe horizonten aandienen en begrijpt de mens dat zijn autonomie niet het laatste woord heeft. Meer en meer gaat hij beseffen dat hij deel uitmaakt van een veel groter geheel en dat het zijn taak is daaraan dienstbaar te zijn. Zijn bewustzijn van tijd verwijdt zich. In de gang van de evolutie en van de geschiedenis ontwaart hij een ontwikkelingsweg, die zich opent naar de toekomst toe. Deze is een bron van hoop, voor de mensheid als geheel en voor iedere individuele mens. Het Zelf vermoedt dat de kwalitatieve overgang die het ego van het Zelf scheidt, zich in zijn leven nog minstens één maal kan herhalen. De hoop van het Zelf is de hoop op transcendentie, op het telkens opnieuw overstijgen van de eigen grenzen en op de ontsluiting van steeds nieuwe en steeds wijdere innerlijke ruimten. Dit is de bewustzijnsverruiming die plaatsvindt op het pad van het Zelf naar de niet-sfeer die het onderwerp van dit hoofdstuk is. Op deze plaats van transformatie staat de mens als het ware in de voorhof van de tempel. Hij staat op het punt het menselijke te overstijgen en op te gaan in de intimiteit met God. Dat is zijn hoop, die hier haar hoogste en meest intense vorm bereikt. Het uiteindelijke object van de menselijke hoop is niet het bereiken van een aangenamer, beter leven, maar het doorbreken van de eindigheid van het menselijke bestaan in de intimiteit met God.

Eenvoud
Mensen met een ongecompliceerd ego worden wel eenvoudig genoemd. Zij hebben geen affiniteit met ingewikkelde redeneringen en missen het vermogen om op berekenende wijze met hun naasten om te gaan. Hen simpel noemen is een waardeoordeel van mensen die trots zijn op hun eigen gecompliceerdheid.
Het Zelf is een centrum waarin de lijnen van een heel leven samenkomen in een voorlopige synthese. Vanuit het Zelf kan een mens veel overtollige ballast loslaten en zich concentreren op waar het in zijn leven werkelijk om gaat. Dan blijft nog meer dan genoeg over om er de rest van zijn leven de handen aan vol te hebben.
Maar pas op de hoogste en laatste trede van menszijn bereikt hij de volkomen eenvoud die erin bestaat om uitsluitend op God gericht te zijn. God is één. Sommige mensen wordt het gegeven om daar al in dit leven deel aan te hebben.


Charles Steur, De Levensboom van de deugden
Deugden en bewustzijn gezien vanuit de Kabbalah
(Amsterdam: Amphora Books, 2007; € 17,50)