Home >> Godsdienst en schaduwkanten van de godsdienst  
  Godsdienst en schaduwkanten van de godsdienst  


De oorsprong van de godsdiensten ligt in Gods openbaring, die vervolgens door mensen wordt uitgewerkt en toegepast. Godsdiensten zoals wij die kennen zijn tijdgebonden beschrijvingen van Gods toewending naar de mens, en van de ontwikkelingsweg die mensen in staat stelt zich meer en meer open te stellen voor God.

De structuur van de godsdienst komt overeen met die van de mens – uiteraard, want godsdienst is voor en van de mens. Daarom deelt iedere godsdienst in de schaduwkanten van de mens. Dit lijkt evident, maar toch ontbreekt in veel recente discussies over de schaduwzijden van de godsdienst het oog voor de verwevenheid van de godsdienst met de schaduwkanten van de gelovigen.

De schaduwkanten van de godsdienst zijn dezelfde als die van de mens. Wat betekent dat? De atheïst zou zeggen: natuurlijk, want godsdienst is louter mensenwerk. Een traditionele gelovige zou de godsdienst vrijpleiten en alle narigheid op het conto van de mens schrijven. Een moderne gelovige visie zou ongeveer als volgt kunnen luiden: als de mens geschapen is (of: als de mensheid evolueert) naar het beeld van God, dan hoort het vermogen om God te zoeken en te proberen te leven overeenkomstig Gods bedoeling, wezenlijk bij hem. Hij kleurt dit in op zijn eigen manier, afhankelijk van zijn tijd, van zijn religieuze aanvoelen en van de sporen van God die hij soms ontdekt in de kosmos, in de ander, in zijn eigen innerlijk, in eerdere formuleringen of waar dan ook. Zijn eigen vrije wil kan hij gebruiken om alle dwaalwegen te verkennen die hij maar vinden kan. Door de eeuwen heen zal de mensheid daarvan leren en zal de godsdienst volmaakter worden. En ondanks al de schaduwkanten van de mens heeft de godsdienst nu al het vermogen de mens op het spoor van God te zetten.

De volgende principes zijn ontleend aan de Levensboom, een model uit de Kabbalah dat op alle aspecten van de werkelijkheid kan worden toegepast, ook op de mens en op de godsdienst
.

 
aspecten van de godsdienst

schaduwkanten van mens en godsdienst

aspecten van de mens


Goddelijke oorsprong van het godsbeeld

menselijke inkleuringen van God

De verbinding


Openbaring

destabilisatie, onevenwichtigheid

Wijsheid


Traditie

verstarring, geweld in de Schrift

Inzicht


Mystiek

zweverigheid

Mystieke kennis


Liefde

opdringerigheid

Liefde


Gestrengheid

hardheid, legitimatie van geweld

Gestrengheid


Leraarschap

valse leraren en leiders

Het Zelf


Godsdienstig handelen

godsdienstig gemotiveerd geweld

Handelen


Theologie en recht

misleiding, verstarring, rationalisme, fundamentalisme

Reflexie


Godsdienstige identiteit

stereotypen, onverdraagzaamheid, vrouwonvriendelijkheid

Het ego


De plaats op aarde

hebzucht

Het lichaam


De schaduwkanten van de godsdienst verwijzen terug naar de positieve kwaliteiten van de godsdienst, naar de opdracht die steeds meer te realiseren.
Voor de toepassing op jodendom, christendom en islam, zie:

Charles Steur, De Levensboom van de godsdienst
Jodendom, christendom en islam in het licht van de Kabbalah
Amsterdam: Amphora Books, 2007


Hieronder enkele passages:
Schaduwkanten
Als we één van onze vermogens op een onjuiste wijze inzetten, werpt die een schaduw op ons mens-zijn. Dan ontstaat een schaduwkant, een ondeugd, in de terminologie van de traditionele ethiek. Dan wordt bijvoorbeeld de omgang met de materie tot hebzucht. Als we ons vermogen tot communicatie misbruiken en onwaarheden vertellen, worden we tot leugenaars. Als we onze daadkracht niet kunnen ontplooien, worden we depressief. Als we hem daarentegen niet kunnen beheersen, raken we overspannen of, in combinatie met een opvliegende persoonlijkheid, worden we gewelddadig. Overdreven strengheid wordt tot hardheid. Liefde kan claimend en opdringerig worden, want de menselijke liefde is nog niet onbaatzuchtig.
Schaduwkanten ontstaan zowel door een teveel als een te weinig. Als een aspect niet tot ontwikkeling komt, zullen andere aspecten disproportionele activiteiten gaan ontplooien om het hiaat dat daardoor ontstaan is op te vullen. Het gevolg is dat het geheel nog meer uit balans raakt. Als er te weinig liefde is, zal de gestrengheid tot hardheid worden. Een te grote nadruk op de theorie gaat en koste van de vitaliteit en omgekeerd. Als het ego de regie voert, blijft het Zelf verborgen.
De hogere vermogens horen de lagere aan te sturen. Het duidelijkst is dat voor het ego en het Zelf. Een ongebreideld ego gaat ten koste van het Zelf, maar als het Zelf tot ontwikkeling komt, geeft het het ego juist de plaats die het toekomt en stuurt het aan.
Het probleem is echter dat de mens zijn potenties van beneden naar boven realiseert. Dit is misschien wel de kern van alle problemen waar de mensheid zichzelf voor stelt, dus ook die van de godsdienst. Het zijn ontwikkelingspsychologische crises van een mensheid die leert door ervaring.
Mensen leren van hun fouten. Dat geldt voor de praktische dingen van het leven, voor wetenschappelijk onderzoek, voor relaties, en er is geen reden waarom dat voor godsdienstige aangelegenheden niet op zou gaan. Maar de ontwikkeling van grootheden als een godsdienst gaan zeer langzaam. Het is een proces van eeuwen en zelfs van millennia. De eerste vereiste is dat we kritisch naar onszelf kijken. Alleen dan is respect voor de ander mogelijk.

God en het godsbeeld
De oorsprong van alle waarachtige godsdienstigheid is God zelf. Hij die voor ons onkenbaar is, heeft zich tot mensen gewend door middel van het woord. Aldus geloven joden, christenen en moslims. God heeft zichzelf voor mensen een naam gegeven, meerdere namen zelfs, die de vele eigenschappen aanduiden waarmee Hij zich laat kennen.
Het feit dat aan God vele eigenschappen kunnen worden toegeschreven, doet geen afbreuk aan zijn eenheid. Ondanks zijn vele eigenschappen is God totaal in harmonie met zichzelf. In God zijn geen schaduwkanten. Wel kan de mens met name Gods gestrengheid als zodanig ervaren en van daaruit het beeld schetsen van een harde, liefdeloze God. Maar dat is dan één van de vele beelden van God die vallen onder het tweede gebod: 'maak geen godenbeelden.'

Profetie versus destabilisatie
De drie godsdiensten van het westen zijn zogenaamde openbaringsgodsdiensten. De openbaringen waarop zij zich beroepen betreffen de goddelijke aanwezigheid en werkzaamheid in deze wereld en in het menselijk hart enerzijds en richtlijnen voor het juiste menselijk handelen anderzijds. Mensen die een dergelijke boodschap ontvingen, worden profeten genoemd. Alle belangrijke ontwikkelingen van de godsdiensten zijn voortgekomen uit verrassende, vernieuwende inzichten, waaraan een profetische kwaliteit mag worden toegekend.
Profeten en profetische boodschappen zijn er voor ieder niveau. Een teveel aan profetische inspiratie, het alsmaar ter discussie stellen van de structuren, zou tot destabilisatie van de godsdienst kunnen leiden. Ongetwijfeld heeft dat ertoe bijgedragen dat in het jodendom en de islam het tijdperk van de profeten officieel is afgesloten en dat in het christendom de profeten, die er ten tijde van de eerste gemeenten nog waren, een stille dood zijn gestorven.
Toch staan er steeds weer vernieuwers op. Soms vinden zij gehoor en draagt hun boodschap bij aan vernieuwing.

Traditie versus verstarring
In een volgende stap in de ontwikkeling van een godsdienst wordt de goddelijke openbaring uitgeformuleerd in onderscheiden inzichten. Dit gebeurt in de heilige Schriften en in de uitleg daarvan. In het jodendom en de islam ontstond een wet die als normatief wordt beschouwd. Het christendom legde meer nadruk op een uitgewerkte geloofsleer.
Als de heilige Schriften eenzijdig als het woord van God verstaan worden, zonder oog voor de menselijke componenten, kunnen tijdgebonden voorstellingen als het patriarchale karakter en de legitimatie van geweld niet meer gerelativeerd en gecorrigeerd worden.
Als de traditie een te groot gewicht krijgt, worden aan de creativiteit nauwe grenzen gesteld. Er zijn dan nog slechts variaties op de vertrouwde thema's mogelijk. Het onontkoombare gevolg is verstarring.

Mystiek
Het jodendom, het christendom en de islam hebben alle drie een bloeiende mystiek ontwikkeld, die mensen de mogelijkheid biedt om door middel van een ingrijpend transformatieproces, waarin het menselijke wordt afgestemd op het goddelijke, het menselijke te overstijgen en direct in contact te komen met het goddelijke. Maar ook aan mensen die geen mystici in de eigenlijke zin van het woord zijn, is religieuze ervaring gegeven, want elk niveau van de godsdienst kan de mens in contact brengen met het goddelijke.
In de geschiedenis zijn diverse contactpunten aan te wijzen tussen mystici van verschillende godsdiensten. Zij blijken het gewoonlijk goed met elkaar te hebben kunnen vinden. Ontworsteld aan de gevoeligheden van het ego en de redeneringen van de theologen zien zij dat hun respectievelijke godsdiensten gelijkwaardige wegen zijn die de mensheid verbinden met de Ene.
Omdat de ervaring van het goddelijke zo overweldigend kan zijn dat zij een onevenwichtige psyche nog verder uit balans kan brengen, worden kandidaten in de mystieke scholen zorgvuldig geselecteerd en getraind. Daarbij wordt aandacht geschonken aan de ontwikkeling van alle facetten van het mens-zijn, ook de meer basale. Pas als de band met de aardse werkelijkheid hecht is, kunnen de hogere werelden verkend worden.

Liefde versus opdringerigheid
Uit liefde heeft God de wereld geschapen en zich aan de mens geopenbaard. Liefde is een goddelijk en kosmisch principe, waaraan de menselijke liefde mag participeren. Deze eigenschap wordt in eminente mate toegeschreven aan Mozes, Jezus en Mohammed. Hun leven is een illustratie van Gods liefde. Liefde is ook een eigenschap die we weerspiegeld zien in het leven van de heiligen. Het is de samenvatting van alle geboden, de centrale boodschap van het jodendom, het christendom en de islam. Om hieraan vorm te geven, hebben de godsdiensten onder meer liefdadige instellingen in het leven geroepen.
Als een mens iets van grote waarde gevonden heeft, is het een uiting van liefde dat te willen delen met anderen. Wat echter als de ander het niet wil ontvangen? Onbaatzuchtige liefde zou dat accepteren. In de mens is liefde echter bijna altijd baatzuchtig. Het valt ons moeilijk de ander vrij te laten en niet opdringerig te worden. Opdringerigheid is een potentiële schaduwkant van de liefde.

Gestrengheid versus hardheid
Gestrengheid ervaren we bijna altijd als een bijzonder onprettige aangelegenheid. Het is pijnlijk en vernederend om gecorrigeerd te worden. Toch is dat soms nodig, misschien zelfs bij uitstek in godsdienstige aangelegenheden. Die gaan immers over datgene wat de mens overstijgt, over datgene wat hij vanuit zijn ego niet begrijpt en wat hem keer op keer oproept zijn grenzen te overstijgen en het oude achter zich te laten.
De schepping noodzaakte God om naast zijn liefde ook zijn gestrengheid kenbaar te maken. De Bijbel en de Koran kunnen gelezen worden als het verhaal van Gods pedagogische handelen aan een halsstarrige mensheid, die de grootste moeite heeft zich aan Gods voorschriften, die de weg naar een volwaardig menselijk leven wijzen, te houden.
In handen van de mens kan gestrengheid verworden tot een niets ontziende hardheid, als zij niet met onderscheiding en in combinatie met liefde wordt toegepast. De schaduwzijden van de gestrengheid zijn de heftigste van alle aspecten van de mens en van de godsdienst. De toestemming en de opdracht om geweld te gebruiken zijn afkomstig van deze instantie. In schuldgevoel richt de mens zijn hardheid op zichzelf.

Waarachtig en vals leraarschap
Mozes, Jezus en Mohammed waren bij uitstek leraren. Zij werden tot grondleggers van wereldgodsdiensten omdat zij hun unieke contact met God konden combineren met een leraarsfunctie voor een grote groep mensen, die zij inwijdden in hun leer.
Leraren zijn nodig omdat de meeste mensen het niveau van het Zelf nog niet bereikt hebben en in de aangelegenheden die het innerlijk betreffen, zoals de godsdienst, leiding nodig hebben. Geloofsonderricht is van essentieel belang voor elke godsdienst. Het gebeurt huis, op school, in de synagoge, kerk of moskee. Afwisselend bekleden zowel ouders, onderwijzers als religieuze ambtsdragers de positie van de leraar.
De ideale leraren zijn mensen die het niveau van het Zelf bereikt hebben. Zij beschikken over de evenwichtigheid en de verantwoordelijkheid die nodig zijn voor die taak. Zij kunnen de boodschap doorgeven zonder vertekeningen. Zij kunnen, zowel door hun onderricht als door hun voorbeeld, andere mensen leiden naar hun eigen centrum, van waaruit zij de rijkdom van de godsdienst ten volle kunnen beleven.
Helaas lijkt de hiërarchie gewoonlijk de voorkeur te geven aan ambtsdragers die onbekend zijn met de diepere lagen van hun eigen innerlijk, aan mensen die functioneren vanuit hun ego, die zonder zelf na te denken de lagere aspecten van de godsdienst onderwijzen, inclusief alle verstarringen en preoccupaties. Zij zijn vaak belust op macht, hardvochtig, onverdraagzaam en bekrompen. Valse leraren houden hun volgelingen dom en afhankelijk in plaats van hen te leiden naar religieuze volwassenheid.

Godsdienstig handelen versus religieus geweld
De mens leeft niet van het woord alleen. Hij is een doener, hij wil zijn gedachten omzetten in bereflecteerde handelingen, om zo iets te bewerkstelligen in de wereld. In rituelen, in het vieren van godsdienstige feesten, in ethisch handelen en in religieuze kunst en in een levendige enthousiaste beleving kan de mens zijn geloof uitdrukken in daden en in de materie.
Wanneer het menselijk handelen en ingrijpen in de loop der dingen niet in toom wordt gehouden en geleid, kan het ontaarden in agressie en religieus geweld. Door de eeuwen heen hebben valse leiders daar dankbaar gebruik van gemaakt ten behoeve van hun eigen ambities.

Theologie en recht versus verabsolutering van menselijke redeneringen
De concrete voorschriften van de wet en de centrale formuleringen van de geloofsleer van een godsdienst moeten steeds opnieuw worden geactualiseerd. Omgekeerd vragen de omstandigheden van de eigen tijd erom geduid en genormeerd te worden vanuit de gelovige visie. Dit gebeurt in het recht en in de theologie. Eigentijdse specialisten doen daarin uitspraken die voor enige tijd een zekere mate van geldigheid bezitten.
In de uitleg van de traditie zijn meningsverschillen tot op zekere hoogte toegestaan. In een overlevering zegt de profeet Mohammed: 'Het verschil van mening in mijn gemeente is een teken van goddelijke barmhartigheid.' Een bloeiende, geïnspireerde uitleg van de Schriften en van de traditie duidt op een levende, vitale godsdienst en cultuur.
Als aan het verstand niet meer de ruimte wordt gegeven om nieuwe interpretaties en toepassingen toe te voegen aan de bestaande geloofsleer, raakt een godsdienst verstard. Dan wordt aan het verleden de voorkeur gegeven boven het heden, waarbij vergeten wordt dat het verstand ook vroeger betrokken was bij de radicale vernieuwingen die de godsdienst in de prille fase rond zijn ontstaan doorvoerde. Als daarentegen de menselijke rede verabsoluteerd wordt, leidt dat, ook in de godsdienst, tot rationalisme. Daarin wordt één aspect van het mens-zijn verabsoluteerd. Het fundamentalisme lijkt een vreemde mix van een verstarde godsdienst en rationalistische elementen te zijn.

Godsdienstige identiteit versus ego
De godsdienstige identiteit is het beeld dat de gelovigen van zichzelf als gelovigen en van hun godsdienst en geloofsgemeenschap hebben. Dit kleurt hun leefwereld van alledag. Het is de godsdienstige sfeer waarin kinderen in gelovige families en samenlevingen opgroeien. Het is voor hen vanzelfsprekend dat zij de wereld bekijken als ware deze joods, christelijk of islamitisch. Een ander aspect van het onderwerp van dit hoofdstuk is vroomheid, de innerlijke houding en uiterlijke praktijken waarmee de gelovigen proberen hun dagelijkse bewustzijn te vullen met godsdienstige inhouden. Ook de seksualiteit valt eronder: in het voortbrengen van een nieuwe mens maken man en vrouw als het ware een beeld van zichzelf.
Het ego ontbeert de wijde blik en de verdraagzaamheid om het authentieke in de ander te kunnen zien en accepteren. Daarmee ligt het aan de wortel van bijna alle conflicten die de mensheid over de godsdienst heeft uitgevochten. De schaduwkanten van het godsdienstige ego zijn met name het denken in stereotypen en de daaruit voortvloeiende onverdraagzaamheid en vrouwonvriendelijkheid.
Het beeld dat wij van onszelf hebben, bepaalt ons beeld van de ander. Als wij onszelf zien als de aanhangers van het ene ware geloof, diskwalificeren we de aanhangers van andere godsdiensten automatisch als ketters en ongelovigen en dus als slecht en daarmee onszelf uiteraard als goed. Op egoniveau heeft identiteitsvorming het nodig zich te spiegelen aan andere mensen. In het schaduwgebied wordt dit je afzetten tegen de ander. Zo ontstaan scherpe scheidslijnen.
Ook in het integratiedebat spelen stereotypen een belangrijke rol.
De vijandige houding die het christendom, met name het katholicisme, ontwikkelde tegenover seksualiteit wreekt zich in de affectieve kou van het celibaat en in een schrikbarend aantal seksuele misdrijven, vaak begaan door pedofiele of homofiele ambtsdragers, die hun seksualiteit niet hebben kunnen integreren.

Een plaats op aarde versus hebzucht
Een godsdienst is pas echt geaard als hij indaalt in de materie, als hij aardse ruimte kan heiligen, in de vorm van heilige plaatsen die de goddelijke aanwezigheid meer dan elders bemiddelen.
In haar schaduwkant kan het aardse aspect ontaarden (!) in hebzucht. Die kan zich op alles richten, zowel materieel als spiritueel. Tussen de godsdiensten zien we deze ondeugd aan het werk in politiek-territoriale aspiraties. Die kunnen worden samengevat als: probeer een zo groot mogelijk gebied in je macht te krijgen.

De schaduwkanten van de godsdienst verwijzen terug naar de positieve kwaliteiten van de godsdienst, naar de opdracht die steeds meer te realiseren.

De meeste gelovigen zijn erg tevreden met hun geloof. Zij ervaren er een zingeving in die het materiële en rationele ver overstijgt. De leer over de schepping en de ethische voorschriften verlenen hen diepe inzichten in de aard van de werkelijkheid en van de mens. De bloei van de religieuze kunst laat vermoeden dat er een verband bestaat tussen geloof en schoonheidservaring. Het verrichten van het gebed en het volbrengen van de geboden en de andere godsdienstige voorschriften schenkt hen de voldoening te weten dat zij leven overeenkomstig Gods wil. Hun geloof schenkt hen de ervaring van Gods nabijheid, wat zich zozeer kan verdiepen dat soms van een persoonlijke relatie wordt gesproken. Dit alles kan resulteren in een diepe innerlijke rust en een stille vreugde. Zo kan de gelovige groeien in mens-zijn. In alle drie de godsdiensten is het niet ongebruikelijk dat mensen op hogere leeftijd komen tot een innerlijke rijpheid, mildheid en wijsheid.


Charles Steur, De Levensboom van de godsdienst.
Jodendom, christendom en islam in het licht van de Kabbalah
(Amsterdam: Amphora Books, 2007; € 19,50)