Home >> Non-dualistisch christendom  
  Non-dualistisch christendom  

De mens die zich bewust is van de eenheid, ziet dat de werkelijkheid samenvalt met wat in het christendom wordt aangeduid als 'God'. Buiten God is er niets.
Jezus had de eenheid met God verwerkelijkt. Die eenheid omschreef hij als het koninkrijk Gods, de schat in de akker, de parel van grote waarde.
Eenheid is bij uitstek een christelijk gegeven. Vanuit zijn eenheid met de Vader en met de naaste leerde Jezus een geleidelijke weg tot herkenning van de eenheid met God en van bevrijding van de afgescheidenheid. Jezus wijst de weg die hij zelf is, omdat hij één was en is met God, de weg van verwerkelijking van wat altijd al werkelijkheid geweest is en zal zijn: dat er niets is dan God, omdat God alles in allen is. De mystici bezongen de vereniging van de ziel met de Beminde en zagen de werkelijkheid in het licht van God.
Hierover schreef ik een boek, Non-dualistisch christendom - het zoekt nog naar een uitgever.
Het is een uitnodiging om de bijbel, de theologische leer en de mystiek met nieuwe ogen te lezen door hen in de non-dualistische context te plaatsen.
Hieronder enkele passages.

Het Nieuwe Testament
De evangelist Johannes schrijft aan Jezus een aantal korte uitspraken toe waarin hij zichzelf met God gelijk stelt.

Ik en de Vader zijn één (Jh. 10,30).

Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien (Jh. 14,9).

Op die dag zullen jullie weten, dat ik in mijn Vader ben (Jh. 14,20a).

In tegenstelling tot de profeten zegt Jezus niet slechts dat hij door God gezonden is. Hij komt van God, die hij zijn Vader noemt, zo direct en onmiddellijk dat hij God gezien heeft. Jezus identificeert zichzelf zozeer met God dat hij zich één weet met de Vader, dat hij en de Vader één zijn. Als gevolg van zijn eenheid met God is God zichtbaar in hem, zodat hij bijna als vanzelf, door wie hij is, mensen de weg wijst naar God.
Als we deze woorden vergelijken met de uitspraken van de verlichte leraren van advaita vedanta, zen en dzogchen, blijken zij authentieke uitingen van een non-dualistisch bewustzijn te zijn, uitgedrukt in de joodse geloofstaal, die Jezus op grond van zijn eigen ervaring een nieuwe vorm gaf. Door zijn woorden en daden leidde hij mensen tot eenheid.
Ook de zogenaamde 'ik-ben'-woorden uit het Johannesevangelie kunnen slechts verklaard worden vanuit Jezus' eenheid met al wat is.

Ik ben de weg, de waarheid en het leven (Jh. 14,6a).

Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt, loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft (Jh. 8,12.)

Ik ben het brood van het leven. Jullie vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven. Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat wie ervan eet niet sterft. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is. Als iemand van dit brood eet, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood dat ik zal geven is mijn vlees, voor het leven van de wereld (Jh. 6,48-51).

'Vlees' is in het Aramees synoniem met de persoon. Jezus' hele wezen, zijn lichaam, is zijn eenheid met God. Het is brood, omdat het het ware leven geeft, het leven in de eenheid met God. De mens die leeft in eenheid met God zal nog wel ooit zijn lichaam afleggen, maar hij zal niet sterven. Het bewustzijn en het leven zijn in hem zo sterk dat de lichamelijke dood voor hem slechts het terugvloeien in de bron betekent, het opgaan in het bewustzijn en het leven zelf.
Tijdens de verheerlijking op de berg werd Gods licht in Jezus zichtbaar (Mc. 9,2-13). De Goede Boodschap die Jezus brengt is het stralende licht van de oorspronkelijke eenheid. In de afgescheidenheid verduistert de mens voor zichzelf dit licht. Voor wie de scheidingen overstijgt, zijn het licht en de eenheid echter onmiddellijk toegankelijk. Dat is de waarheid die Jezus verkondigt en met heel zijn wezen bemiddelt, illustreert en gestalte geeft. Hij is de weg die het doel zelf is. Wie daarop gaat, heeft het licht en het leven.
Toen Jezus zei 'eer Abraham was, ben Ik' (Jh. 8,58), werd hij bijna gestenigd, omdat het voor zijn orthodoxe toehoorders niet acceptabel was dat hij zichzelf aan God gelijk stelde. Opmerkelijk aan deze opmerking is ook het tijdsaspect. Jezus geeft hier aan dat hij het bewustzijnsniveau heeft verwerkelijkt dat de tijd overstijgt.

Het christendom heeft ervoor gekozen de goddelijkheid van de mens alleen aan Jezus toe te kennen. Daarmee reduceerde het zijn boodschap. Wie Jezus ziet, ziet God en komt tot God. 'Worden als Jezus' betekent één met God worden, goddelijk worden. Jezus wordt het brood des levens, het licht voor de wereld, de weg, de waarheid en het leven genoemd juist omdat hij mensen leidt naar het leven, het licht, de waarheid. De uiteindelijke en enig echte waarheid is de eenheid van al wat is. Al het andere is scheiding en daarom onwetendheid.
Jezus zelf identificeerde zich met alle mensen en in het bijzonder met hen die bereid waren de weg te gaan die hij wees. Hiermee impliceerde hij een radicale eenheid. 'Blijft in mij, gelijk Ik in u' (Jh. 15,3). Vanuit zijn eenheid met al wat is, nodigde Jezus ook zijn toehoorders daartoe uit. Dat wil niet uitsluitend zeggen op de juiste wijze in hem geloven, zoals de orthodoxe uitleg luidt, maar zich open stellen voor de eenheid die in hem transparant wordt. In zijn vooraankondiging van het laatste oordeel zei Jezus over de hongerigen en dorstigen, de vreemdelingen, zieken, en gevangenen: wat jullie aan hen hebben gedaan, hebben jullie aan mij gedaan (Mt. 25,31-46). Een uitsluitend ethische duiding hiervan gaat voorbij aan het non-dualistische gehalte.
Het koninkrijk der hemelen, of, explicieter geformuleerd, het koninkrijk Gods, is Jezus' aanduiding van een gemeenschap met God die uitloopt op eenheid met Hem. Het koninkrijk doordringt alles. Om het te illustreren, gebruikte Jezus beelden uit het dagelijks leven: 'Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was' (Mt. 13,33). Het is het kleinste, want het meest verborgen en onbekende zaadje, maar als het tot wasdom komt, omvat het alle facetten van het menselijk leven (Mt. 13,32). Met talrijke parabels illustreerde Jezus de aanwezigheid en de werking van dit koninkrijk, opdat zijn toehoorders in zouden zien dat het ook in henzelf is (Lc 17,21) en hoe de versnippering van het alledaagse leven het zicht erop ontneemt (Mt. 13,4-7). Het is een verborgen schat en een kostbare parel. Wie die als zodanig herkent, geeft er met vreugde alles voor op (Mt. 13,19-23 en 44).
De gerichtheid van de mens op zichzelf, op zijn eigenbelang en zijn ego, beneemt hem het zicht op de eenheid met God. Daarom leerde Jezus de zelfverloochening en het opgeven van het afgescheiden ego. Dit, en niet de radicale dienstbaarheid, is de diepste betekenis van de oproep tot navolging en de sleutel tot de zaligsprekingen:

Als iemand achter mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en mij volgen. Want ieder, die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar ieder die zijn leven verliest omwille van mij, zal het vinden. (Mt. 16,24-25).

Gelukkig de armen van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen. (...) Gelukkig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien. (Mt. 5,3 en 8).

Armen van geest zijn mensen die weer zijn als kinderen (Mt. 18,4 en 19,14), mensen die zich niet als gewichtig beschouwen om wat zij hebben gedaan of verworven, mensen die nog de schoonheid van het eenvoudige zien, die zich volledig verbinden met wat zij doen. Zulke mensen kunnen zichzelf gemakkelijk loslaten om het koninkrijk van de eenheid binnen te gaan. In hoofdstuk 9 zullen we uitvoeriger stil staan bij de zaligsprekingen.
In The Wisdom Jesus wijst Cynthia Bourgeault erop dat het Griekse woord metanoia, dat gewoonlijk vertaald wordt als bekering, letterlijk voorbij de geest betekent. De menselijke geest is het scheidende denken. Voorbij de geest gaan is het loslaten van de onderscheidingen, leven in eenheid. Dan wordt het hart zuiver van egocentrische overwegingen en verlangt nog slechts één ding. Wat kan dat ene anders zijn dan de eenheid met God? Dan wordt het hart zo helder dat wij in al wat ons omringt God zullen zien. Dat is de omkeer waartoe Jezus zijn volgelingen opriep.

Aan Paulus wordt de eerste stap naar de ontwikkeling van de kerk als instituut toegeschreven, waarin de weg tot eenheid is doodgelopen in gewoonten en leerstellingen. Dat laat onverlet dat uit zijn overgeleverde preken en brieven een non-dualistisch weten spreekt:

In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij (Hand. 17,28).

Niet ik, maar Christus leeft in mij (Gal. 2,20).

Dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben (1 Kor. 13,12).


Schepping
Het weten van de goddelijkheid van de schepping, van een schepping uit God, inspireerde in de negende eeuw Arabische en joodse mystici tot de identificatie tussen God en het Niets. Zij realiseerden zich dat het Niets een aanduiding van God is. Omdat God alle begrippen overstijgt, kan Hij door niets worden aangeduid. En als het niets een Godsnaam is, dan impliceert schepping uit het niets dat schepping emanatie, manifestatie en openbaring van God is.
In overeenstemming met het toenmalige tijdsbeeld hielden de mystici vast aan een begin en een einde van de schepping. De huidige kosmologie veronderstelt een eindeloze opeenvolging van universa. Een non-dualistisch christendom kan daarin meegaan en aansluiten bij wat het hindoeïsme en boeddhisme vanaf hun ontstaan hebben geleerd. De oosterse verlichtingservaring en de westerse unio mystica berusten beide op de eenwording met een Zijn dat geen begin en geen einde kent, omdat het het Zijn van de Godheid zelf is. De eenheidservaring is daarom niet louter subjectief, maar een reële zijnstoestand.
Schepping uit God betekent dat de werkelijkheid niet van God gescheiden is, maar dat God in zichzelf scheidingen en versluieringen laat bestaan, waaruit Hij zich schijnbaar heeft teruggetrokken. Als Hij dat niet zou doen, zouden alle scheidingen wegvallen en zou alles volkomen in het Niets, dat God zelf is, opgaan.

 

De Geest
De Geest is Gods creatieve, scheppende kracht. De Geest drijft het universum tot expansie. De Geest hecht atomen aaneen en doet moleculen ontstaan. De Geest leeft zich uit in de oneindige verscheidenheid van de levensvormen. De Geest verwarmt mensen tot liefde, verdiept hun bewustzijn, vernieuwt hun denken, opent hun ogen voor zijn goddelijke aanwezigheid. De Geest van God is God zelf, die zich manifesteert. De Geest van God is de openbaring van het goddelijke in al wat is. De Geest van God is het goddelijke in al wat is. De Geest van God is al wat is.



Het mystieke kennen
Eckhart en Johannes van het Kruis spreken van het kennen van de schepselen in God.

Wanneer mijn ziel in het uitwendige iets onderkent valt er iets vreemds in haar binnen; wanneer ik alle schepselen onderken in God valt me niets anders dan God in, want in God is niets dan God. Wanneer ik alle schepselen onderken in God, onderken ik niets. (...) Laten wij onze Heer bidden dat wij tot die kennis mogen komen die helemaal zonder wijze en zonder maat is. (Eckhart, Preken)

Nu noemen de grote meesters de kennis van het geschapene een avondinzicht en daarin ziet men het geschapene in zeer verschillende vormen en beelden. Wanneer men de schepselen echter in God kent, heet dat een morgeninzicht en op die wijze ziet men de schepselen zonder enige onderscheidenheid en van alle beeldvorming ontbloot en van elke gelijkenis verlost in het ene dat God zelf is. Ook dat is die mens van hoge geboorte, van wie onze Heer zegt dat hij er op uittrok, en daarom van hoge geboorte omdat hij één is en God en schepping in eenheid kent. (Eckhart, Traktaten)

Het is waar, dat de ziel in die toestand pas goed het onderscheid begint te zien tussen God en de schepselen. Deze laatste hebben slechts een geschapen bestaan. Maar zij ziet ze in verband met de kracht van God, geworteld in Hem en hun werking van Hem ontvangend. Zij ziet dat God dit alles op oneindig eminente wijze is. In Hem doorschouwt zij dus de geschapen dingen beter dan in de schepselen zelf. Het grote genot van dit ontwaken in God bestaat hierin, dat zij nu de schepselen kent via God en niet meer God via de schepselen. (Johannes van het Kruis, Levende Vlam van Liefde)

In hun verschijningsvorm hebben de schepselen een geschapen bestaan. Dat is geworteld in God, zozeer dat wie de schepselen in God kan waarnemen, niets ziet dan God alleen. Ondanks hun dualistische achtergrond zijn deze mystici heel dicht bij de identificatie van de schepping met God gekomen.

Het persoonsbegrip
De mens denkt in menselijke categorieën. Hij heeft, met andere woorden, de neiging om te antropomorfiseren. Omdat God zich openbaart als liefde, als aanwezigheid, concludeert de mens dat God een persoon is, met wie hij op vertrouwelijke wijze om kan gaan. Maar als hij dan denkt God te kennen, komt er vroeg of laat een ervaring waarin God zijn onkenbaarheid kenbaar maakt. In uiterlijke omstandigheden kan dat rampspoed zijn, de ervaring van Job, die eraan gewend was zijn vroomheid in voorspoed te genieten, maar wiens geloof ook bestand bleek tegen alle vormen van ellende. De mystici spreken over de donkere nacht. Na een lange periode van 'geestelijke vertroostingen' trekt God zijn aanwezigheid terug om de mens die Hem zoekt te leiden naar een subtieler vorm van kennen en liefhebben, die, als de mens de weg ten einde gaat, uitloopt op wat in de christelijke mystiek wordt beleefd als de vereniging van het geestelijk huwelijk, waarin God en de mens één worden. In de eenheid van God en mens vallen de personen weg, want een persoon bestaat bij de gratie van scheidingen en in de eenheid zijn alle scheidingen overwonnen.
De spanning tussen het persoonlijke en de bovenpersoonlijke eenheid klinkt door in Jezus prediking. Hij noemde God zijn Vader, waarmee hij een intiem tegenover suggereerde. Anderzijds sprak hij over een eenheid die alle scheiding overstijgt: 'Ik en de Vader zijn één' (Jh. 10,30). Zowel in de relatie tussen God en de mens als intratrinitair loopt het persoonlijke uit op eenheid. Zowel het goddelijke als het menselijke persoon-zijn is een metafoor voor het tegenover dat in liefde, kennen en gelukzaligheid kan bestaan in de eenheid.

Non-dualistische parallellen
In advaita-vedanta en dzogchen wordt op drievoudige wijze over Brahman respectievelijk het oorspronkelijke gewaarzijn gesproken zonder personificaties te gebruiken.

        Advaita Vedanta
Voor Ruusbroec is de Vader de oorsprong, de levende grond [Ruusbroec, Brulocht, p. 353 resp. p. 371.], de Zoon de wijsheid en klaarheid van God en de Geest de minne tussen Vader en Zoon en tussen God en zijn schepping. Oorsprong, Wijsheid en Minne is vrijwel synoniem met de drie benamingen waarmee in advaita vedanta de volkomen eenheid van Brahman wordt aangeduid, als Zijn, Bewustzijn en Vreugde (Sat, Chit, Ananda). Vertaald naar het christendom: als Zijn is God Vader. In de Zoon kent de Vader zichzelf. Hun gelukzalige liefdesband is de Geest.

        Dzogchen (1)
Vader, Zoon en Geest kunnen eveneens vergeleken worden met de drievoudige wijze waarop in dzogchen gesproken wordt over het oorspronkelijke gewaarzijn, namelijk als Grond, Weg en Vrucht. Als Vader is God de Grond, waaruit alles voortkomt. Jezus duidde zichzelf aan als de weg en nodigde zijn leerlingen uit die weg te gaan. Ook de werkelijkheid, die (schijnbaar!) van God is uitgegaan, gaat een weg, de weg van uitvloeien en terugvloeien. De Geest is de Vrucht, de band van liefde en eenheid, die in de schijnbare scheiding de eenheid bewaart en terugvoert tot het eenheidsbewustzijn. De mystici zien en ervaren deze eenheid. Zij smaken de Vrucht.

        Dzogchen (2)
In dzogchen worden drie lichamen of dimensies van de Boeddha onderscheiden, het dharmakaya, het sambhogakaya en het nirmanakaya. Dit zijn de essentie, de aard en de energie van de oorspronkelijke staat van al wat bestaat. Zij worden gerealiseerd door hen die de verlichting bereiken.
Het dharmakaya is de algehele dimensie van bestaan. Het correspondeert met de essentie, de leegte, die de onuitsprekelijke en onmetelijke toestand is, voorbij alle dualistische concepten en begrenzingen.
Het sambhogakaya is de stralende helderheid van het dharmakaya, van de oorspronkelijke staat.
Het nirmanakaya is het ongehinderde energetische medium van al wat verschijnt, de dimensie van manifestatie. Door middel van energie kunnen zowel de zuivere als de onzuivere zienswijze zich manifesteren. Zowel nirvana als samsara zijn dimensies van het nirmanakaya. Een volledig gerealiseerd mens wordt eveneens aangeduid als een nirmanakaya. Hij of zij is het ongehinderde medium om de leer, die oprijst uit het dharmakaya, door te geven.
Het dharmakaya is als de Vader, in wie alles zich manifesteert. De Zoon is een nirmanakaya, een manifestatie van het dharmakaya. De Geest, die alles doordringt en bezielt, is vergelijkbaar met het sambhogakaya, de stralende helderheid van de oorspronkelijke staat.

Bevrijding door liefde en vergeving
Het christendom is niet ontstaan vanuit een probleem, niet vanuit het gevoel van zondigheid en onverlostheid, waarmee het wel wordt geassocieerd, maar vanuit een bevrijdingservaring: het delen in de eenheid met God die Jezus had voorgeleefd. De ervaring van dit 'nieuwe leven' maakte duidelijk dat er een verlossing en bevrijding had plaatsgevonden.
Ik gebruik het woord bevrijding in plaats van verzoening en verlossing, omdat dat niet beladen is met leerstellige ballast en omdat het boeddhistisch gebruik van dit woord ons op het spoor kan zetten van wat Jezus bedoeld zou kunnen hebben. De stelling van dit hoofdstuk is: de onderlinge liefde en vergeving is de nieuwe en efficiënte weg die Jezus zijn leerlingen wees om bevrijd te worden van het leven in de dualiteit en de scheiding van God. Geloven in Jezus wil zeggen geloven in de eenheid, de liefde en de vergeving die hij predikte en voorleefde, en overeenkomstig handelen. Wie gelooft in Jezus en hem in alles navolgt, wordt door niets weerhouden om de eenheid binnen te gaan, ook niet door overtredingen die hij in het verleden begaan zou hebben.

Natuur en genade
Al naar gelang hun tijd en plaats van ontstaan vertonen de vormen waarin de religies zich presenteren grote verschillen. Hun overeenkomst ligt in de poging de scheiding tussen God en de mens te overbruggen. In alle gevallen wordt de afstand tussen de mens en God als pijnlijk ervaren, als het kernprobleem van het menselijk bestaan, waarvoor een oplossing gezocht moet worden. Hun scheiding wordt met diverse begrippen aangeduid: ballingschap, zonde, lijden, enzovoort. De oplossing wordt met een tegenovergesteld begrip omschreven: terugkeer, verzoening, ontwaken, enzovoort. Al deze begrippen verwijzen naar bevrijding. Alle waarachtige religies reiken een weg aan om de mens te bevrijden van zijn afgescheidenheid van God. Daarom zijn zij volkomen gelijkwaardig en heeft geen enkele religie een meerwaarde boven de andere. Elke religie bemiddelt de genade scheidingen op te heffen en de identiteit tussen natuur en genade te openbaren.

Hervonden eenheid
Tot eenheid komen voltrekt zich in de meeste gevallen heel geleidelijk. Voor denkers vloeit het voort uit het inzicht in de eenheid, voor voelers slechten liefde en mededogen alle grenzen en doeners leren meer en meer mee te werken met de ene werkelijkheid. (In het hindoeïsme worden deze drie wegen aangeduid als jnana-yoga, bhakti-yoga en karma-yoga.)
Uiteraard is dit onderscheid in mensentypen slechts relatief en zijn die kanten in ieder van ons aanwezig. Alle aspecten van ons leven leiden ons naar eenheid.
Verlichting hoeft niet gepaard te gaan met bijzondere waarnemingen en diepe inzichten. Overgave en liefde kunnen op een heel bescheiden manier uitmonden in een doorleefd een-zijn met al wat is, in een eindeloos mededogen voor alle mensen en alle levende wezens, in een transparantie voor het goddelijk licht, dat het leven van de bevrijde mens doorstraalt met een zachte gloed en heel de wereld bekleedt met schoonheid.