Home >> Vertalingen: Dzogchen >> Inleiding  
  Inleiding  

De leer van Dzogchen kan worden uitgelegd aan de hand van een twintigtal begrippen, die geen onderscheidingen aanbrengen, maar op pedagogische wijze proberen de oorspronkelijke volmaaktheid ter sprake te brengen, vaak met behulp van beeldende vergelijkingen, ontleend aan het alledaagse leven.

Achtergrond
Volgens de overlevering is Dzogchen in de vijfde eeuw ontstaan met de incarnatie van Garab Dorje, de eerste aardse Dzogchenleraar. Hij leefde in het mysterieuze Uddiyana, dat wordt gesitueerd in het huidige Pakistan of Afghanistan. In de achtste eeuw werd Dzogchen in Tibet geïntroduceerd door Padmasambhava, op uitnodiging van de koning. Volgens historisch-kritische wetenschappers is Dzogchen tussen de vijfde en de achtste eeuw geleidelijk ontstaan door de invloed van Bön, Advaita Vedanta en de Chinese Zen op het Tibetaans Boeddhisme. Vanaf het begin tot nu toe is het een levende traditie, die door de eeuwen heen meerdere perioden van intense bloei heeft gekend. De laatste daarvan was in de negentiende eeuw, de tijd waarin in het Westen godsdienst en spiritualiteit steeds meer in de verdrukking kwamen door het opkomende materialisme.
 Het Tibetaanse woord Dzogchen betekent Grote of Algehele Volmaaktheid. De essentie van de leer van Dzogchen is dat alle verschijnselen nu reeds volkomen volmaakt zijn en dat ze dat uit zichzelf zijn. Vandaar de vaak gebruikte term zelf-volmaakt. Daarom is elke spirituele praktijk overbodig – voor wie de grote volmaaktheid verwerkelijkt heeft. Omdat Dzogchen is ingebed in het Tibetaans Boeddhisme en in de Bön, fungeren de spirituele praktijken die daarin ontwikkeld zijn in feite als een scholingsweg voor hen die in een later stadium het pad van Dzogchen zullen volgen. De negen zogenaamde voorbereidende oefeningen zijn: mededogen met alle levende wezens opwekken; toevlucht nemen; de mandala offeren; meditatie over vergankelijkheid; overtredingen belijden; zich ter aarde werpen; goeroeyoga, de geest laten versmelten met de verlichte geest van de goeroe die men voor zich visualiseert; gebeden opzeggen; zegeningen ontvangen. [Wangyal Rinpoche, Het wonder van onze oorspronkelijk geest. Dzokchen in de böntraditie van Tibet. Rijswijk, 2001, p. 45.]
Zoals alle boeddhistische scholen hecht Dzogchen veel belang aan het mededogen. Ook de band met de leraar is cruciaal, omdat hij de beoefenaar introduceert tot zijn ware staat, wat wil zeggen dat hij hem zowel in woorden als existentieel duidelijk maakt dat zijn ware aard dezelfde is als de oorspronkelijke staat van de werkelijkheid.

De basis
De oorspronkelijke staat van de werkelijkheid en van het individu wordt de basis of grond genoemd. Deze is louter gewaarzijn en is nooit iets anders geweest dan gewaarzijn. Daarom wordt het zelf-oorspronkelijk genoemd. Deze basis is één, maar om hem nader te verklaren, wordt gesproken over zijn essentie, aard en energie.
We komen de essentie van de basis op het spoor als we onze geest observeren terwijl er een gedachte oprijst en we ons de vraag stellen waar die gedachte vandaan komt, waar zij verblijft en waar zij heen gaat.
Steeds luidt het uiteindelijke antwoord: nergens. De essentie is leegte. Leegte is de ware essentie van materiële verschijnselen en van de geest van het individu.
Dzogchen benadrukt dat de leegte niet louter negatief is, maar een stralende, heldere leegte. Stralende helderheid is de aard van de werkelijkheid.
Met het derde begrip, energie, wordt uitgedrukt dat de stralend heldere leegte zich onbelemmerd manifesteert in heel het continuüm van de ruimte.

Het pad
Net als al wat bestaat, net als de Boeddha, zijn wij de manifestatie van stralend heldere leegte. Omdat de menselijke geest echter de eigenschap heeft scheidingen aan te brengen en geleerd moet worden te rusten in louter gewaarzijn, is een pad van spirituele beoefening noodzakelijk. Het omvat drie aspecten: zienswijze, meditatie en handelen.
De zienswijze van Dzogchen is het oorspronkelijke gewaarzijn, waarin we onszelf waarnemen als oorspronkelijk gewaarzijn en alle verschijnselen als oprijzend uit de essentiële aard van deze allerhoogste bron. Dan worden gedachten doorzien als gedachten en lossen zij op zodra zij oprijzen. In de dualistische tradities wordt deze wijde zienswijze echter belemmerd door oordelen, onderscheidingen en begrippen.
Meditatie is een belangrijke oefening om de zienswijze te verwerven en in te oefenen. Concentratie- en ademhalingsoefeningen brengen de geest tot rust. Het doel van meditatie is contemplatie, het verwijlen in het gewaarzijn van de oorspronkelijke staat. Het Tibetaanse woord voor het gewaarzijn van de oorspronkelijke staat is rigpa.
De handelwijze van Dzogchen streeft ernaar om het gewaarzijn meer en meer te integreren in alle omstandigheden van het dagelijks leven, zodat er geen verschil meer bestaat tussen meditatie-sessies en de post-meditatie. Dit wordt verworven door het maken van kleine bewegingen tijdens de meditatie, door meditatief lopen, door met aandacht eenvoudige handelingen te verrichtten enzovoort. Wie in het oorspronkelijke gewaarzijn kan verblijven ook als hij bijvoorbeeld heftige verwijten krijgt of intense pijn lijdt, realiseert zich dat alles al volmaakt is, dat niets veranderd of verbeterd hoeft te worden. In Dzogchen heeft dit inzicht en deze verwerkelijking echter niet tot desinteresse voor het lijden van anderen geleid, omdat de beoefening van mededogen altijd centraal staat.
Het heldere licht van de basis wordt soms de moeder genoemd en het ontwaakte bewustzijn dat dit licht herkent de  zoon of het kind. Als de mens ontwaakt, vloeit zijn bewustzijn samen met het oorspronkelijke gewaarzijn. Dit is als het terugvinden van moeder en zoon.

De vrucht
De vrucht of het resultaat van de beoefening is verwerkelijking, verlichting. Deze wordt omschreven als de drie lichamen of dimensies van de Boeddha, het dharmakaya, het sambhogakaya en het nirmanakaya. Dit zijn de essentie, de aard en de energie van de oorspronkelijke staat van al wat bestaat, verwerkelijkt als de zienswijze en de post-meditatieve handelwijze van het individu.
Het dharmakaya is de algehele dimensie van bestaan. Het correspondeert met de essentie, de leegte, die de onuitsprekelijke en onmetelijke toestand is, voorbij alle dualistische concepten en begrenzingen.
Het sambhogakaya is de stralende helderheid van het dharmakaya, van de oorspronkelijke staat.
Het nirmanakaya is het ongehinderde energetische medium van al wat verschijnt, de dimensie van manifestatie. Door middel van energie kunnen zowel de zuivere als de onzuivere zienswijze zich manifesteren. Zowel nirvana als samsara zijn dimensies van het nirmanakaya. Een volledig gerealiseerd mens wordt eveneens aangeduid als een nirmanakaya. Hij of zij is het ongehinderde medium om de leer, die oprijst uit het dharmakaya, door te geven.
De leer over de basis en het pad wordt het Doorsnijden naar de Grote Volmaaktheid genoemd. In een volgend stadium wordt dan vanuit de contemplatie gewerkt met de energie van de drie kaya's.

Charles Steur, in: Dzogchen. De belangrijkste teksten (manuscript)