Home >> Vertalingen: Soefisme  
  Vertalingen: Soefisme  

Rabia (717-801)

Toen Hassan Basri haar aanspoorde te trouwen, sprak zij: 'Mijn wezen is al lang gehuwd en gebonden. Daarom zeg ik dat mijn zijn in mij opgelost is en in Hem opgeleefd. Sinds die tijd leef ik in zijn macht, ja, ik ben geheel de zijne. Wie mij nu nog als bruid verlangt, verlangt mij niet van mijzelf, maar van Hem.'
Hassan vroeg haar hoe zij zich tot deze trede had verheven. Zij sprak: 'Doordat ik al wat ik gevonden had, in Hem verloor.' En toen hij verder vroeg: 'Op welke wijze heb je Hem herkend?' antwoordde zij: 'O Hassan! Jij kent op een bepaalde manier en wijze, ik echter zonder wijze.'

 

Dhu'n-Nun (796-859)

Zij die kennen, zien zonder kennis, zonder zien, zonder informatie te ontvangen en zonder waarneming, zonder beschrijving, zonder versluiering en zonder sluier. Zij zijn niet zichzelf, maar in zoverre zij bestaan, bestaan zij in God. Hun handelingen zijn door God bewerkt, hun woorden zijn de woorden van God, door hun tong gesproken, en hun zien is het zien van God, dat in hun ogen is binnengegaan. Daarom heeft God, de Allerhoogste, gezegd: 'Als ik een dienaar bemin, ben Ik, de Heer, zijn oor, zodat hij hoort door Mij. Ik ben zijn oog, zodat hij ziet door Mij. Ik ben zijn tong, zodat hij spreekt door mij. Ik ben zijn hand, zodat hij neemt door Mij.'

 

Bayazid Bistami (804-874)

Bayezid sprak: 'Toen de verheven Heer mij in zijn grootmoedige genade tot de hoogste treden verheven had, verlichtte Hij met zijn stralen heel mijn uiterlijk en innerlijk wezen, ontsluierde voor mij al zijn geheimenissen en openbaarde in mij heel zijn grootheid. ...
Toen de verheven Heer mijn vergankelijk wezen vernietigde en mij aan zijn onvergankelijkheid liet deelnemen, werd de helderheid van mijn ogen tot in het onfeilbare vermeerderd. Ik schouwde God met Gods ogen en zag God door God.

Ik keek en zag dat Minnaar, Minne en Beminde één zijn, want in de wereld van vereniging moet alles één zijn.

 

Abu'l-Qasim al-Junayd (830-910)

Liefde betekent dat de eigenschappen van de minnaar veranderd worden in die van de Beminde. Nu leeft hij in overeenstemming met de uitspraak van God: 'Als Ik hem liefheb, zal Ik zijn oog zijn, waardoor hij ziet, en zijn oor waardoor hij hoort en zijn hand die hij uitsteekt.'
De heilige die verlangt de eenwording van de menselijke wil met de Goddelijke Wil te bereiken (wat het voorstadium is van de algehele vereniging), moet zijn als een dood lichaam in de handen van God en instemmen met al de wederwaardigheden die door zijn verordening plaatsvinden en met al wat door de macht van zijn kracht veroorzaakt wordt, want de heilige is ondergegaan in de oceaan van Eenheid, door uit zichzelf weg te gaan en van al de eisen die de schepselen aan hem stellen en van alle antwoorden aan hen, in de realisatie van de Enigheid van God, in de onmiddellijke ervaring van zijn aanwezigheid. Als hij overgaat in het leven met God, laat hij zijn eigen gevoelens en daden achter zich. Zo wordt hij dat wat God voor hem verlangd heeft, dat de dienaar eindelijk zou terugkeren tot de staat waarin hij eerst was en zou worden als hij was vóór hij begon te zijn.


Hoessein b. Mansoer al Hallaj (ca. 858 - 922)

Kennis betekent de dingen zien, maar ook zien hoe zij alle ondergaan in het Absolute.

De soefi is hij die gericht is op het bereiken van God, de scheppende Waarheid. Tot hij gevonden heeft wat hij zocht, gunt hij zich geen rust en schenkt hij aan niemand aandacht. Om uwentwil haast ik mij over land en water. Ik doorkruis de vlakte en de berg splijt ik en ik wend mijn gezicht af van al wat ik ontmoet, tot de tijd waarop ik die plaats bereik waar ik alleen ben met U.
  Ik ben Hij die ik lief heb en Hij die ik liefheb is ik,
 
Wij zijn twee zielen die in één lichaam wonen. 
  A
ls u mij ziet, ziet u Hem,
  En als u Hem ziet, ziet u ons.

Alle godsdiensten zijn van God, de Verhevene. Met elke godsdienst houdt hij een groep mensen bezig. Niet dat zij deze godsdienst uitgekozen hebben, maar omdat Hij haar voor hen gekozen heeft. Wie iemand verwijt dat wat hij gelooft niet juist is, is van oordeel dat deze zelf zijn geloof gekozen heeft. Dat is echter de wijze van hen die de vrije wil leren. Weet dat jodendom en islam en christendom en de andere godsdiensten slechts verschillende bijnamen en onderscheiden namen zijn. Dat waar zij op doelen, verandert zich niet en is niet verschillend.

 


Ibn Sina (Avicenna) (980-1037)

De schepselen zijn niets, de Vriend is alles. Op deze wijze moet dit bekend zijn en verkondigd worden en nadat dit verkondigd is, is het noodzakelijk daarbij en daarin te blijven. Daarbij blijven betekent dat wanneer je 'Eén' gezegd hebt, je niet ook 'twee' moet zeggen en het schepsel en de Schepper die twee zijn. Het ware geloof is 'God' te zeggen en daarin standvastig te zijn. Standvastig zijn betekent dat wanneer je zegt 'God', je verder niet meer spreekt over de schepselen noch over hen denkt in je hart, zodat het is alsof de schepselen niet bestaan. Wat je ook ziet of zegt, zie en spreek vanuit wat bestaat, vanuit wat nooit zal ophouden te bestaan. Bemin die Ene, die, wanneer jij zult ophouden te bestaan, zelf niet zal ophouden te bestaan opdat jij iemand zult worden die nooit zal ophouden te bestaan.


Abu Sa'id b. Abi'l-Khayr (967-1049)

De dag waarop het doel bereikt werd en ik in U bleek te zijn,
was ik niet afgunstig op de vreugde van de zaligen.
Als men mij tot de Elysische velden had geroepen zonder U,
de hemel zelf zou me teleurstellen.
Ik sprak tot Hem: 'Voor wie ontvouwt uw schoonheid zich zo?'
Hij antwoordde me: 'Voor Mijzelf, zoals Ik ben, was Ik van oudsher:
Want de Minnaar ben Ik en Minne en Ik alleen de Beminde,
Spiegel en Schoonheid ben Ik: schouw Mij in Mijzelf.'
Hij die weet, die het geheim kent,
vrij van het zelf is hij nu één met zijn Heer.
Ontken jezelf, beken de levende Waarheid,
Allah is God, naast Hem is er geen.

 

Baba Kuhi van Shiraz (ca. 980-1050)

Op de markt, in het klooster – slechts God zag ik.
In de vallei en op de berg – slechts God zag ik. (...)
In gunst en geluk – slechts God zag ik. (...)
Met mijn eigen ogen ogen zag ik mezelf heel duidelijk,
maar toen ik met Gods ogen keek – slechts God zag ik.
Ik loste op in nietsheid, ik verdween,
En zie, ik was de Al-levende – slechts God zag ik.


Al-Ghazzali (1058-1111)

Je moet jezelf kennen zoals je werkelijk bent, opdat je mag begrijpen van welke natuur je bent en waar vandaan je in deze wereld bent gekomen en voor welk doel je bent geschapen en waaruit je geluk en je lijden bestaat. Want de kwaliteiten van de dieren en de wilde beesten en ook die van de engelen zijn in jou samengevoegd, maar de geest is jouw ware essentie en al het andere is jou in feite vreemd. Streef daarom naar kennis van je oorsprong, opdat je zult weten hoe je de Goddelijke Aanwezigheid en de beschouwing van de Goddelijke Majesteit en Schoonheid kunt bereiken, en bevrijdt jezelf van de banden van lust en passie. Want God heeft jou niet geschapen om hun gevangene te zijn, maar opdat zij jouw slaaf zouden zijn, onder jouw controle, om op de reis die voor je is jouw strijdros en wapen te zijn.

Wanneer de mysticus binnengaat in de zuivere en absolute Enkelvoudigheid van de Ene en in het Koninkrijk van de Ene en Allene, bereiken stervelingen het einde van hun opgang. Want hier voorbij is geen opgang meer, want opgang impliceert de veelvormigheid van een beginpunt en een eindpunt. Wanneer veelvormigheid is overstegen, is er slechts Eenheid. Dan houden relaties op te bestaan, tekens worden uitgeveegd, er is hoogte noch diepte meer, noch iemand om af te dalen of op te stijgen. Er is geen hogere opgang mogelijk voor de ziel, want er is geen hoogte boven de hoogste en geen veelvormigheid in het aangezicht van de Eenheid. Omdat er geen veelvormigheid meer is, is er geen verdere opgang.
Zij die zijn overgaan in het verenigde leven hebben een Wezen bereikt dat al wat door zicht of inzicht kan worden waargenomen overstijgt, want zij ervaren dat Hij in zijn heiligheid alles overstijgt wat wij hiervoor beschreven hebben. Zij kunnen echter in twee klassen worden onderscheiden, want voor sommigen van hen is al wat kan worden waargenomen verteerd, uitgewist en tot niets geworden, maar de ziel blijft die allerhoogste Schoonheid en Heiligheid beschouwen en blijft zichzelf zien in de schoonheid die zij verworven heeft door de goddelijke Aanwezigheid te bereiken. Voor zo iemand wordt het zien van de dingen uitgewist, maar niet het zien van de zielen. Maar sommigen gaan hieraan voorbij. Zij zijn de uitverkorenen van de uitverkorenen. Zij zijn verteerd door de glorie van zijn verheven Aangezicht en de grootheid van de goddelijke Majesteit overweldigt hen. Zij zijn tot niets geworden en zelf zijn zij niet meer. Zij zien zichzelf niet langer. Voor hen blijft alleen de Ene, de Werkelijke, en uit ervaring kennen zij de betekenis van zijn woord: 'Alle dingen gaan teniet, behalve zijn Aangezicht' (Koran 28,88).
Dit is de laatste graad van hen die bereiken. Sommigen van hen volgenden in hun opgang echter niet het geleidelijke proces dat wij beschreven, noch was de opgang voor hen lang. Vanaf het begin overtreffen zij hun medeleerlingen en bereiken een kennis van de Al-Heilige en van de goddelijke Transcendentie. Aan het begin werden zij overweldigd door wat de anderen aan het eind overweldigde. De goddelijke Verschijning brak plotseling bij hen in, zodat alle dingen die door zicht of inzicht waargenomen kunnen worden verteerd werden door de glorie van zijn Aangezicht.


Abu'l-Majdud Sana'i (+1150)

Liefde weet dat verzaking de sleutel is van de poort. In de smeltkroes van verzaking wordt de minnaar voorbereid om al wat hem afhoudt van de Beminde te verteren. Voor de minnaars op het pad dat de ziel ontvlamt kan geen uitwendige glorie vergeleken worden met het geheime vuur van binnen. Hij wiens ziel in vlam staat voor het pad, blijft niet achter op de halteplaats. In die wereld waar de liefde het geheim vertelt, bestaat 'jij' niet meer en het verstand gaat niet verder. Minnaars zijn buiten zichzelf in de Aanwezigheid van de Beminde. Wanneer zij het ros van hun hart aansporen naar Hem toe, werpen zij alle dingen weg, aan zijn voeten. Hun leven en hun hart werpen zij voor Hem neer en zij voegen zichzelf bij Hem. Alles is voor hen niet, Hij alleen is. O jij, die de Schoonheid van de aanwezigheid van de Onzichtbare bemint, zo lang je ernaar streeft zijn Aangezicht te aanschouwen, zul je nooit de drank van de gemeenschap met Hem drinken, noch het genot van het inwendig gesprek met Hem smaken. Wanneer Hij jou binnenlaat in zijn hof, vraag dan niets van Hem behalve Hijzelf. Wanneer de Heer jou gekozen heeft als zijn minnaar, heeft je oog alle dingen gezien: de wereld van Liefde staat geen dualiteit toe – wat is dit voor gepraat over 'mij' en 'jij'? Als je uit je leven en je verblijfplaats voortgaat, zul je God zien door God.


Farid Al-Din'Attar (1142-1221)

O jij, die opzettelijk afdwaalt van het ware pad, weet dat hij die verlangt naar het paleis van de Koning, dat verkieslijker is dan enig paleis hier op aarde, het slechts hoeft te naderen. Het is de verblijfplaats van de ziel, die eeuwig blijft. Het is het doel van onze verlangens, de rustplaats van het hart, de zetel van de Waarheid zelf. De Aanwezigheid van God, de Allerhoogste, is als een machtige oceaan en de tuinen van het paradijs, met al hun vreugden, zijn slechts als de laatste druppel in die oceaan. Hij die de oceaan bezit, bezit eveneens de druppel. Al wat niet de oceaan is, is ijdelheid. Je kunt de weg naar de oceaan vinden, waarom haast je je dan om een enkele druppel dauw te zoeken? Kan hij die deelt in de geheimen van de zon dartelen met een mot in de stralen van de zon? Wanneer een mens één geworden is met het Geheel, wat heeft hij dan nog te maken met het deel? Wat heeft iemand die zijn ziel gevonden heeft de ledematen van zijn lichaam nog nodig? Als jij, o mens, bevonden hebt dat je werkelijkheid één is met het Geheel, beschouw dan het Geheel, streef naar het Geheel, wordt één met het Geheel en kies voor jezelf het Geheel.

Wanneer de zon op de reiziger valt, wordt de vuilnisbak van deze wereld voor hem veranderd in een rozentuin: de kern wordt gezien naast de schil. Niet langer ziet de minnaar enig deel van zichzelf, hij ziet alleen de Beminde. Waar hij ook kijkt, altijd ziet hij zijn Gelaat, in elk atoom schouwt hij Zijn Verblijfplaats. Honderdduizend geheimen worden hem geopenbaard van onder de sluier, zo duidelijk als de zon.

U bent vuur, maar uw vuur is gesluierd, want in alles waarmee U zich verenigd hebt, bent U onder een sluier. U bent de Levensadem in zowel lichaam als ziel. U bent het Levenswater dat overal gevonden kan worden. In elke vorm manifesteert U Uzelf, overeenkomstig Uw wil. Zelfs in het stof worden Uw geheimen getoond. U bent de mijn en toont Uzelf in haar juwelen. U, de Schepper, wordt gezien in de schepselen, Geest die schijnt door grove materie.
U bent God in absolute Eenheid en U verblijft hier in lichaam en ziel, want U bent de goddelijke Essentie die in het midden van ons allen verblijft. O allerhoogste Heer, hoe glorieus is de manifestatie van Uw Licht! U bent het Gezochte en de Zoeker – wat kan verder nog gezegd worden? Geef mij, bid ik U, te drinken uit de beker van onsterfelijkheid, want U bent de Beker en de Wijn en de Schenker.
Omdat ik zelf deel ben van het Geheim van de Eenheid, zal het moment waarop de ziel vrij zal zijn van het lichaam en terug zal keren naar zijn Thuis gelukkig zijn.

Behalve U zie ik niets in de twee werelden, want in waarheid bestaat alleen U in deze wereld en in die. Van eeuwigheid was U en onveranderd zult U zijn. Tot in eeuwigheid is Uw Wezen en zal het altijd zijn. O, U, die zowel tijd als plaats geopenbaard hebt, U hebt zowel de ziel van de mens gemaakt als het universum waarin hij verblijft. U doet de sferen draaien en vervult het hart van duizenden met ontzag en verwondering voor Uw openbaring van Uzelf.
Nu ben ik één gemaakt met U en door die Eenheid is mijn hart verteerd en ontrukt en mijn tong is verbijsterd. Door vereniging ben ik vermengd met de Eenheid, van al het andere ben ik helemaal gescheiden geraakt. Ik ben U en U bent ik – nee, niet ik, alles is helemaal U. Ik ben gestorven, 'ik' en 'U' bestaan niet meer. Wij zijn één geworden en ik ben helemaal U geworden.
Door vereniging met U ben ik helemaal de volmaakte gnosticus geworden en nu is de gnosticus verdwenen en ik ben helemaal de scheppende Waarheid geworden. Ik ben vrij van trots en passie en verlangen. Ik openbaar de goddelijke Geheimen en daardoor vervul ik de minnaars van God over heel de wereld met verwondering en zo'n honderdduizend schepselen blijven verwonderd over mij. Alle vormen worden verteerd in de vlammen als de kaars van Vereniging met Hem ontstoken wordt en opvlamt.
Wanneer de schilderijen verborgen worden, zult u de Schilder zien. O broeder, ik zal je het geheimenis van de geheimenissen vertellen. Weet dan dat schilderij en Schilder één zijn! Wanneer je geloof volmaakt geworden is, zul je jezelf nooit zien, behalve in Hem.


Ibn al-'Arabi (1165-1240)

Hij is en er is bij Hem geen vóór of na, noch boven of beneden, noch ver of dichtbij, noch eenheid of verdeeldheid, noch hoe, noch waar, noch plaats. Hij is nu zoals Hij was. Hij is de Ene zonder eenheid en de Alleene zonder alleenheid. Hij is het ware bestaan van het Eerste en het ware bestaan van het Laatste en het ware bestaan van het Uitwendige en het ware bestaan van het Inwendige. Er is dus geen eerste of laatste of uitwendige of inwendige dan Hij, zonder dat zij Hem worden of Hij hen wordt. Hij is niet in een ding noch is een ding in Hem, ingaand noch uitgaand. Het is noodzakelijk dat je hem kent op deze wijze, niet door onderricht te ontvangen noch door verstand, noch door begrip, noch door verbeelding, noch door de zintuigen, noch door het uitwendige oog noch door het inwendige oog, noch door waarneming. Door Zichzelf ziet Hij Zichzelf en door Zichzelf kent Hij Zichzelf. Zijn sluier, dat is het bestaan zoals dat aan ons verschijnt, is slechts de verberging van Zijn bestaan in Zijn eenheid, zonder enige eigenschap. Er is geen ander en er is geen bestaan voor enig ander dan Hij. Hij die volgens jou een ander is dan God, hij is niet een ander dan God, maar je kent Hem niet en begrijpt niet dat je nog steeds Hem ziet. Hij is zowel de Heerser als degene over wie geheerst wordt, de Schepper zowel als geschapen. Wat Zijn scheppende kracht en Zijn soevereiniteit betreft, is Hij nu zoals hij was, zonder een schepsel of een subject nodig te hebben. Toen Hij de dingen die zijn tot aanzijn riep, was Hij al begiftigd met al Zijn eigenschappen en Hij is als Hij toen was. In Zijn eenheid is geen verschil tussen wat recent en wat oorspronkelijk is. Het recente is het gevolg van Zijn manifestatie van Zichzelf en het oorspronkelijke is het gevolg van Zijn bij Zichzelf blijven.
Er is geen bestaan dan Zijn bestaan. De Profeet wees hierop toen hij zie: 'Spreek niet slecht over de wereld, want God is de wereld.' Hiermee doelde hij op het feit dat het bestaan van de wereld Gods bestaan is, zonder partner of gelijke. Dit is verwant aan wat de Profeet verklaarde, dat God tot Mozes sprak: 'O Mijn dienaar, ik was ziek en je hebt Me niet bezocht; Ik vroeg je om hulp en die heb je Me niet gegeven,' en andere soortgelijke formuleringen. Dit betekent dat het bestaan van de bedelaar Zijn bestaan is en het bestaan van de zieken is Zijn bestaan. Wanneer dit wordt toegegeven, wordt bevestigd dat dit bestaan Zijn bestaan is en dat het bestaan van alle geschapen dingen, zowel de eigenschappen als de substanties, Zijn bestaan is. Als dan het geheim van één atoom van de atomen duidelijk is, is het geheim van alle geschapen dingen, zowel uitwendig als inwendig, duidelijk. Dan zie je zowel in deze als in de komende wereld niets dan God, want heel zeker is Hij het bestaan van deze twee Verblijven en hun naam en wat zij benoemen.
Wanneer het mysterie van het realiseren dat de mysticus één is met het Goddelijke aan je geopenbaard wordt, zul je begrijpen dat je geen ander bent dan God en dat je altijd bestaan hebt en altijd zult blijven bestaan (...) zonder wanneer en zonder tijden. Dan zul je zien dat al jouw handelingen Zijn handelingen zijn en al jouw eigenschappen Zijn eigenschappen en jouw essentie Zijn essentie, alhoewel je hierdoor niet Hij wordt of Hij jou, noch in de grootste, noch in de kleinste mate. 'Alle dingen gaan teniet, behalve zijn Aangezicht,' dat wil zeggen er is niets behalve zijn Aangezicht, 'zodat, waarheen je je ook wendt, er is het Aangezicht van God.'
Zoals hij die de lichamelijke dood sterft al zijn eigenschappen verliest, zowel de prijzenswaardige als de veroordeelenswaardige tezamen, zo komen in de spirituele dood alle eigenschappen, zowel de prijzenswaardige als de veroordeelenswaardige, aan hun eind en in alle facetten van de mens neemt het Goddelijke de plaats in van wat sterfelijk is. In plaats van zijn eigen essentie is er dan de essentie van God en in plaats van zijn eigen eigenschappen zijn er de eigenschappen van God. Hij die zichzelf kent, ziet dat zijn hele bestaan het Goddelijke bestaan is, maar hij realiseert zich niet dat er enige verandering plaats heeft gehad in zijn eigen natuur of eigenschappen. Want als je jezelf kent, verdwijnt je 'ik-heid' en je weet dat jij en God één en dezelfde zijn.


Mahmud Shabistari (1288-1340)

Wie is de reiziger op de weg naar God? Het is hij die zich bewust is van zijn eigen oorsprong. (...) Hij is de reiziger die snel voortgaat: hij is gereinigd van het zelf als de vlam van vuur. Ga, jij, veeg de woonkamer van je hart, maak het geschikt om de verblijfplaats en het huis van de Beminde te zijn: wanneer jij eruit weg gaat, zal Hij binnenkomen. Wanneer je vrij bent van jezelf, zal Hij in jou zijn Schoonheid tonen. (...) Wanneer jij en je ware zelf rein van alle bezoedeling worden, blijft er geen onderscheid tussen dingen; het gekende en de kenner zijn één.
Maar vereniging met God is ver van geschapen dingen. Zijn vriend te zijn is een vreemdeling worden voor zichzelf. Als het geschapene de mogelijkheid krijgt te sterven, blijft slechts het essentiële. Eenheid is als de zee. (...) Kijk en zie hoe een druppel van die oceaan zo vele vormen heeft gevonden en zo vele namen heeft gekregen, mist en water en regen en dauw en klei, plant, dier en uiteindelijk mens, in zijn volmaaktheid. Allen komen zij van één druppel, aan het eind als aan het begin. Uit die druppel zijn alle dingen gevormd. (...) De drogbeelden gaan voorbij. In één moment blijft er op alle plaatsen slechts de scheppende Waarheid. Op dat moment in de tijd kom je dicht bij Hem: van jezelf gescheiden kun je je voegen bij de Beminde. In God is geen dualiteit. In die Aanwezigheid bestaan 'ik' en 'wij' en 'jij' niet. 'Ik' en 'jij' en 'wij' en 'hij' worden één. (...) Omdat er in de Eenheid geen onderscheid is, worden de zoektocht en de weg en de zoeker één.


'Abd al-Karim Jili (1366-1428)


Als de zoeker voortgaat, heeft hij het gevoel van 'Zekerheid,' het teken van Goddelijke kennis. Van het allereerste moment waarop hij waarlijk begint op te stijgen op de weg naar boven, weet de mysticus dat wat hem geopenbaard wordt het licht van God is. De Goddelijke verlichting komt door meditatie op de namen en handelingen en op de eigenschappen en de Essentie van God.
Het eerste stadium is de meditatie op de Goddelijke handelingen, als de mens zich Gods kracht in het universum realiseert en weet dat hij zelf geen kracht heeft, maar dat alles gedaan wordt door een handeling van God.
Het tweede stadium is de meditatie op de Goddelijke namen, als de mens weet dat hij zelf van geen belang is en dat de wil van het individu opgaat in de Goddelijke Wil.
Het derde stadium is de meditatie op Gods Eigenschappen. Daarin ontvangt de mysticus de eigenschappen van God in plaats van de zijne, in de mate waarin hij in staat is ze te ontvangen, en ontvangt hij de Goddelijke Geest in plaats van de menselijke geest, en al wat hij doet wordt gedaan door die Geest. Er is niet langer 'dienaar' en 'Heer,' want alleen God blijft. De mysticus ontvangt nu de uiteindelijke verlichting, die van het Bestaan, het niveau van Absoluut Bestaan, en is de volmaakte Mens geworden. Hij is degene die volmaakt verwerkelijkt heeft dat hij één is met het Goddelijk Wezen naar wiens beeld hij gemaakt was, en hij leeft nu het leven van vereniging met God. Hij ziet door God, hij hoort door God, hij spreekt door God en hij leeft door God. Zo wordt de terugkeer van de Goddelijke Essentie van manifestatie naar Absolutisme volbracht door het bereiken van de eenheidservaring door de ziel.

 
 
Enkele passages van deze webpagina worden binnenkort uitgegeven in Bubers bloemlezing Extatische getuigenissen.
De andere vertalingen zijn niet in druk verschenen.